Onderwerp:
KRONIJK.
Een uitzonderlijk weer heeft de prijsvluchten Zondag laatst begunstigd. Van ’s Zaterdags af waren de liefhebbers reeds in blijde verwachting. Het weer was zich gaan goed zetten, zoodanig dat het te verwachten was dat het ’s Zondag fijn weer zou zijn. Oostenwind en klaar : een echt duivenweer. Voorwaar in vergelijking met wat wij in het begin van verleden jaar hadden*, was het nu een buitenkans. Ieder liefhebber was dan ook om ter meest in zijn schik dat de duiven eindelijk eens zouden moeten vliegen. Met al dien Westenwind en grillige weeren die we verleden jaar hadden waren het niet altijd de beste duiven welke vroege prijzen wonnen. Nu echter waren het de goede en welke flink in vorm stonden – welke aan den kop zouden werken en met de goede prijzen weg zijn. Voor menigen was de uitslag natuurlijk een teleurstelling. Duiven welke flink vliegen met westenwind zijn niet altijd de kampioenen met wind op den kop. Verre van daar. Wat echter niet belet dat sommige duiven welke sterk genoeg zijn om met tegenstrijdigen wind vroege prijzen te behalen, hoegenaamd geen prijs wonnen. Een ongeluk kan daar de oorzaak van zijn – al ware het maar dat die goede duiven pikken in haar oog kregen : dan is ze niet meer in staat om goed tegen den wind in te vliegen. Inderdaad een duif welke aan de oogen lijdt, krijgt waterige oogen en kan niet snel meer tegen den wind inwerken. Het blijkt dat veel duiven al lijden van pikken aan de oogen – De oorzaak daarvan vermijden is nogal moeilijk. Best is zulke duif niet meer mee te geven, voor ze goed genezen is. Het minste verblijf in de kevie, waar het warm is en niet al te zuiver, kan verzwering van wonden verwekken. Een duif met een pik aan de oog zal op een zuiver hok dra genezen zijn ; door ze weer mee te geven, zal haar toestand maar verergeren, vooral dat gezonde duiven immer de neiging hebben naar een zieke te pikken. Waar een wond is, daar zullen ze in pikken. Weest niet roekeloos. Met een duif mee te geven welke niet in regel is, waagt ge ze erg gesteld terug te zien, ze kwijt te zijn zelfs. Een beetje voorzichtigheid zal ons misschien wat meer vrijwaren van de pokkenkwaal, waarmee we verleden jaar geteisterd werden.
Dat een goede duif geen prijs behaalt hangt echter veel af van het in vorm zijn. Wie zijne duiven zoo maar mee geeft, zonder ze in vorm te willen brengen, zal heel dikwijls bedrogen uitvallen. Niemand is in staat een duif altijd den eersten prijs te doen winnen, dat spreekt. Ik beweer nochtans dat een duif meer prijzen winnen zal door haar in regel te brengen en er wat mee bezig te zijn, dan wanneer ze zoo maar van het hok wordt gepakt, zonder er iets voor te doen dat ze heviger wordt. Een goede duif, bijvoorbeeld, welke zonder africhten, den tiende prijs wint, zou door afgericht te zijn, een vroegere gewonnen hebben. Een goede duif, welke niet afgericht wordt en toch nooit mist, hoewel ze Zondag na Zondag mee moet, is heel raar. Door het africhten komt men er wel toe een goede duif bijna elke keer dat ze mee gaat, op den kop te doen vliegen. Dat men nu niet beweere dat africhten (dresseeren) van duiven alleen goed is voor snelheidsvluchten en niet voor groote reizen. Ik zou namen kunnen noemen van liefhebbers welke hunne duiven africhten het gansche jaar door en toch kampioenen waren op groote drachten. Niet ieder stelsel van africhten is echter goed – Dat mijne lezers zich nu niet uitbeelden dat het goed africhten zoo’n heel werk is – Integendeel het is ten uiterste gemakkelijk – als men er alle dagen een paar minuten voor over wil hebben. Het komt er op aan dat men volhoude ; met een heel klein beetje geduld werkt men zich spoedig doorheen de moeilijkheid van het begin. Het begin inderdaad is lastig omdat men denkt zooveel last te hebben. Het te verkrijgen resultaat is zoo groot dat het bijna onbereikbaar schijnt. Als men den eersten dag bezig is en hoegenaamd geene vorderingen bespeurt, dan beeldt men zich reeds in er nooit te komen en men geeft op. Glad verkeerd! Den eersten dag, den tweeden dag nog zal het zijn dat de duiven hoegenaamd niet doen willen wat men van hen verlangt ; ze hebben den schijn van koppig te zijn – Och ja, in het begin is dat altijd zoo! Maar doet eens voort en den derden, den vierden dag – na een week zult ge zelf verbaasd zijn van den verkregen uitslag. Twee, drie dagen achtereen zullen de duiven weerbarstig blijven en alle pogingen – men wanhoopte reeds – opeens ziet men met verrassing dat de duiven gansch veranderd zijn, zonder dat men de oorzaak vinden kan van dien plotselingen ommekeer. Het is dat men vanaf het begin de duiven beïnvloedt – tot een zekeren graad bekomen, bestatigt men ineens de gevolgen, zonder tot nu toe er iets van bespeurd te hebben.
Dat africhten van duiven is echt een voornaam punt in de duivenliefhebberij. Ik hield er mij veel mee bezig en maakte er heel wat werk van. Opdat mijne lezers er ineens een kort en duidelijk overzicht – en toch volledig – zouden van kunnen hebben, heb ik er aan gehouden die kwestie zoo eenvoudig mogelijk te behandelen in mijn boek “De Duif”. Het africhten is zoo voornaam dat het in het voornoemd boek wel een gansch hoofdstuk beslagen mocht.
Voor den oogenblik komt het er op aan met welke duiven men beginnen zal. Neemt uwe duiven met ondervinding, uwe veteranen van drij jaar en meer welke reeds in alle weeren te worstelen hadden. Eischt niet te veel van jonge duiven – vooral duivinnen – welke verleden jaar veel hadden te vliegen, misschien wel met eieren en jong gelegen hebben. Laat die duiven nog wat met rust tot wanneer het warmer wordt – liefst tot de tweede kevie in Mei en Juni. Die duiven zullen best zijn met nog een beetje thuis te kunnen blijven.
Met oude duiven kan men de baan op. De meeste ervan broeien voor den tweeden keer, sinds eenige dagen, maar hebben toch nog geen enkel pen laten vallen. Dat belet niet dat ik met zulke duiven spelen zal. Wanneer mijne duif gezond is, dan ben ik niet bang ze in de kevie te steken. Die korte leervluchten van een nacht kevie, die korte drachtjes, zijn geen vermoeienis voor de duiven ; integendeel een beste oefening. Zoo een week opdragen zal mijne gezonde duiven niet beletten binnen eenige dagen hunne eerste pen te laten vallen. Een heel slecht weer, zoodanig dat sommige duiven misvliegen en vermoeid thuis komen, zou nadeelig kunnen zijn – als men geen rust bezorge aan zijne duiven na een lastige reis. Wanneer een mijner duiven misvloog en vermoeid is, dan krijgt ze rust. Een paar dagen zijn voldoende om haar gansch op te knappen.
Een gezonde, sterke duif geeft niets om een paar leervluchtjes en zal na een tiental dagen broedens hare pen wel laten vallen. Soms eer, soms later, al naar gelang die duif vroeg of laat in het jaar gekweekt werd.
Een duif welke niet in vorm is zal natuurlijk haar ruiven beinvloed hebben door het reizen. Maar ook duiven welke niet in vorm zijn, niet gezond, moet men niet beginnen te spelen. Zulke duiven blijven best thuis.
Fik.
* N.v.d.r. Het voorjaar en de zomer van 1920 waren fris (koeler dan gemiddeld), nat en wisselvallig. Het voorjaar van 1921 was zacht en zonniger dan normaal.



Auteur:



