STEFAN STEENBERGEN - 1e Nationaal Kampioen Grote halve fond jonge duiven

Liefhebber: 

Wat schrijf je nog over iemand die al 6 nationale en 44 provinciale overwinning op nationale vluchten heeft behaald? Iemand over wie zowel in de krantjes als op het internet al alles geschreven is dat er te schrijven valt? Het is een verhaal van 6 uur geworden. Een story zonder franjes, van bijzondere vriendschappen, een beetje chaotisch, een beetje van de hak op de tak. Aan elke zin die Stefan uitspreekt, hangt wel een verhaal vast, en aan dat verhaal nog een ander. 

Een aantal ervan had ik alleszins nog nooit gelezen. Oef. En dan is er Henk de Weerd, al twintig jaar een persoonlijke vriend, die in dit verhaal natuurlijk niet kon ontbreken. Want sommige verhalen schrijf je niet alleen met feiten, maar vooral met de mensen die ze samen beleefd hebben. En zo werd het een gesprek dat eigenlijk geen gesprek meer was, maar een reis door twintig jaar duivensport. Met onderweg meer dan genoeg verhalen om nog een paar duivenkranten te vullen.

ZO WERD HIJ NATIONAAL KAMPIOEN
  1e get. 2e get.
01-08 Nationaal Bourges 16.705 d. 9 567
05-09 Nationaal Chateauroux 12.504 d. 145 167
12-09 Nationaal Issoudun 7527 d. 298 303

Stefan Steenbergen kende een schitterend jaar van begin tot eind.De professionalist

Laten we eerst even terugkeren naar de beginjaren. Stefans grote passie was het voetbal. Eerst als speler, later als trainer. Als trainer werd hij ontslagen – ondanks het feit dat hij zowel met de eerste als met de tweede ploeg op de eerste plaats stond – omdat hij een speler tegen de wil van het bestuur in weigerde op te stellen. “Toen heb ik beslist om mijn eigen ding te gaan doen, zonder inmenging van anderen.” Misschien typeert dat Stefan het meest. Een professionalist (professional/perfectionist), iemand met een eigen visie die weigert om van die visie af te wijken, hoezeer ze ook tegen andere visies indruist. En bovenal is Stefan iemand die van iedereen die met hem samenwerkt, datzelfde professionalisme verwacht. Fouten, hoe klein ook, worden niet toegestaan. Stefan streeft succes na en succes bereik je alleen met perfectie. Om met een klein voorbeeld te staven. Afgelopen vrijdag was Stefan onderweg naar zijn fotograaf. Onderweg krijgt hij telefoon: “Ah Stefan, proficiat hé man met je nationale titel. Geweldig gedaan! Je zit in de auto zeker?” “Ja, op weg naar mijn fotograaf.” “Ah, naar...?” “Nee, die maakt ook foto’s, maar dat zijn heel gewone foto’s. Ik ga naar Martin Kwakermaat in ’t Harde, 234 km enkel.” “Watte, zijde gij zot geworden, zover voor ne foto?” “Nee, jong. De beste en meest professionele in zijn vak, wordt gevraagd tot in Amerika.” 
Diezelfde Martin vertrok dat weekend op verlof naar Spanje. “Martin. Sorry dat ik je stoor op je verlof, maar Michel, de reporter van De Duif is hier. Is er een mogelijkheid om de foto van Vince en Lizy al even door te sturen naar De Duif?” Amper tien minuten later liepen de foto’s op de redactie van De Duif binnen. “Martin (spreek uit op zijn Nederlands) is zo ne fijne vent, een echte kameraad,” voegt Stefan er nog aan toe. Het is niet de laatste keer dat het woord vriend of kameraad in deze reportage zal voorkomen.

7 WIJSHEDEN VAN STEFAN
  • Ik wil niet dat een duif dood in mijn hand ligt (een duif moet levendig in de hand zijn)
  • Verander het geweer niet van schouder (verander niet wekelijks van systeem)
  • Hoe een uitspraak kan vergiftigd worden (over roddelen over iemand)
  • Alles begint en eindigt met goede duiven
  • Uit goede komen vroeg of laat terug goede, altijd
  • Als je heel goed speelt, dan komen ze wel naar u (zijn bompa over de online verkopen)
  • Gebruik je boerenverstand (veel liefhebbers zoeken het waar het niet te zoeken valt)

De duif of de liefhebber

“Mensen stellen me wel eens de vraag: “Wie is het belangrijkst, de duif of de liefhebber?” Onmiddellijk gevolgd door: “Gij hebt natuurlijk makkelijk praten, gij hebt ze, die heb ik niet zitten thuis. Dan is het gemakkelijk hé, om zo te spelen.” Ja jongens. En hoe komt dat? Die zijn thuis ook niet zomaar komen aanvliegen. Zonder duiven geen liefhebber, zonder goede liefhebber geen goede duiven. En wie heeft ervoor gezorgd dat hij die goede heeft? De... liefhebber.” 
Zowat gans België en heel verre omstreken – lees overal waar er met duiven wordt gespeeld – heeft Stefan afgereisd op zoek naar de beste duiven. “Ik bracht elk jaar wel versterking in. Ik heb zelfs enkele nationale winnaars gekocht. De laatste won nationaal Bourges, vloog 5 minuten los.”  

“Nooit hebben die, gekruist met mijn eigen duivinnen, mijn duiven voorbijgestoken. Nooit betere uit gekweekt dan uit mijn eigen duiven. Dus daar ben ik mee gestopt. Doe ik die nationale winnaar weg. Dan had ik daar toch nog twee dochters van zitten. Benny Haemers kweekt uit eentje drie keer de eerste gewestelijk en uit de andere twee keer de eerste gewestelijk. Dan ben ik in contact gekomen met Kurt Platteeuw. Die inbreng is heel belangrijk geweest voor mijn kolonie. Dat heeft voor een stevige boost gezorgd. Daar ben ik echt super-, supergoed mee gelukt.

Kurt is ondertussen ook een echt goede kameraad geworden. Ik ben daar terechtgekomen met een andere hele goede vriend uit China. Dat is een hele speciale man, de beste van China. Als die op uw hok komt, haalt hij de beste eruit. Hij zegt zelfs tot welke afstand ze mee kunnen. Dat is geen zever, dat heeft hij al op verschillende hokken bewezen. Hij heeft een hele speciale loep bij – nog nooit gezien - waarmee hij achter de pupil van de duif kijkt. Drie duiven selecteerde mijn Chinese vriend uit een bende van 120. Ik heb er twee gekocht, de derde was een bonte en dat zie ik niet graag. Op het moment dat ik met dat bontje in mijn hand sta, doet mijn vrouw een videocall om mij eraan te herinneren dat we die avond nog naar een barbecue moeten. “Maar wat een mooi ‘witteke’ heb jij daar vast!”, riep mijn vrouw enthousiast. Ik zeg ja, maar die ga ik toch niet kopen. Een jonge duif bij Kurt koop je ook niet voor een appel en een ei en om dan zoveel geld te gaan geven aan iets wat je niet graag ziet, nee bedankt. Kurt kwam met een foto af. “Dat ‘witteke’ is een kleindochter van deze duif. Die vloog 7 x top 100 nationaal. Weet ge, ge krijgt dat mee, da’s een cadeautje voor uw vrouw.” Ik heb dit jaar 11 jongen gekweekt van Kurt zijn duiven, daar blijven er nog 10 van over. Dat is 100% gelukt met mijn duiven. Mijn nummer twee, ‘de 754’, waarmee ik het kampioenschap win, is een 50% Kurt Platteeuw. 

Linda en haar Havanezer “Whitley”. Samen liepen ze 23 (internationale) shows die ze allemaal winnend afsloten! Steunpilaren van de kolonie

De winnaarsmentaliteit kreeg Stefan mee van zijn grootvader. “Elk jaar werd er in zijn club met de kermis een fiets verspeeld met de twee snelste jonge duiven en elk jaar won mijn grootvader die. Zeven jaar aan een stuk kreeg ik – van mijn eerste communie t.e.m. mijn plechtige – een nieuwe fiets om mee naar school te gaan.” 
Starten deed Stefan met de duiven van zijn vader. In de beginjaren werd er gespeeld onder de naam Steenbergen Albert en Stefan. Van de 86 duiven die de kolonie van Albert omvatte, bleef er na de selectie door Stefan welgeteld één over. “Mijne pa had geen goeie duiven. De enige die na mijn selectie overbleef, was deze die Bourges regionaal gewonnen had.” Daarop kon de zoektocht naar de allerbesten beginnen. Bij de destijds beste liefhebbers werd uit het allerbeste gehaald en dikwijls even snel terug verwijderd. Bij Van Camp-Goovaerts uit St. Katelijne Waver was het bingo. In eerste instantie werden daar twee jaar na mekaar 12 duiven aangeschaft. “Kort daarna heeft die man een infarct gekregen waarna hij volledig verlamd raakte. Ik heb toen zijn zes kweekkoppels gekocht. De duiven die daar verkregen werden, vormen nog steeds de ruggengraat van de kolonie. Ik heb ook het geluk gehad om over “Super Walter” te beschikken. Die kwam van Walter Tournet uit St.-Truiden. Hij was vader van twee nationale winnaars: 1e nat. Argenton 2006 en 1a nat. La Souterraine 2007 en in 2008 1e nat. zone in samenkweek met Jos Engels. De soort van Maurice en Yvan Vandersmissen was ook een schot in de roos.” 

Maurice is de man die Stefan geleerd heeft hoe een duif te beoordelen. Een fantastische vriend ook. Stefan doet zijn verhaal. “Wij gingen altijd samen in Namen duiven oplaten. De mijne zaten aan de ene kant van de remorque, die van Maurice aan de andere kant. We komen daar aan en na een vijftal minuten lossen we. Ik check of de mijne er allemaal uit zijn, Maurice checkt zijn kant. We rijden terug naar huis, ik zet Maurice af en rij naar huis. Niet veel later krijg ik telefoon van Maurice: ‘Stefan zijn uw duiven al thuis?’ Ja, hier is alles thuis. ‘Goh, bij mij nog niks.’ Niet veel later krijg ik terug telefoon. ‘Stefan joeng, nu heb ik iets aan de hand. Al mijn duiven zijn thuis behalve mijne goeie.’ De dag erna bel ik naar Maurice. ‘Neje joeng, hij is nog altijd niet thuis, die zie ik niet meer.’ Ik vond dat toch raar en denk bij mezelf: ik ga eens in de remorque kijken, ge weet dat nooit. 5 minuten later was ik met Maurice zijne goeie op weg naar hem thuis. Op het einde van zijn leven gingen we samen naar een verkoop waar twee verschillende liefhebbers duiven verkochten. ‘Ik begin vooraan, jij achteraan,’ zei Maurice mij ‘en op ’t einde vergelijken we.’ Zo gezegd, zo gedaan. Ergens halverwege kruisen we mekaar en ieder gaat zijn eigen weg verder. ‘Hoeveel heb je er aangeduid?’ vraagt Maurice mij. Twee zeker, de derde twijfel ik. We doen ons krantje open. Allebei dezelfde twee duiven aangeduid. ‘Nu weet ik dat ge het kent.’ 

Een deel van de hokinstallatie bij Stefan Steenbergen.Dan ben ik bevriend geraakt met Maurice Voets. Veel te laat, want vier maanden later is Maurice overleden. Ik had daar een bon van gekocht. Dat was in 2004. Ik stapte uit mijn auto en sta daar aan zijn poortje. Maurice had mij niet gehoord. Maurice was zijn buxusplant van anderhalve meter hoog in de vorm van een spiraal aan het snoeien en stond daarbij te hijgen als iemand die net 100 meter bergop gesprint had. Ik zeg: ‘Meneer Voets, ik kom dat duifje van die bon halen.’ We gaan eerst binnen een koffieke drinken samen met Maria, zijn vrouw. ‘Normaal heb ik iemand die dat komt doen maar die is gevallen en ligt in de kliniek. Ik kan dat niet maar ja, het moet gebeuren.’ Ik antwoord daarop: Maurice, geef die snoeischaar hier, ik kan dat heel goed. Beter dan goed met duiven spelen. Ik heb die buxus geknipt en Maria komt buiten: ‘Oh, dat is fantastisch, dat is nog nooit zo goed gedaan.’ Ik moet wel zeggen dat ik dat goed kon. Ik had thuis ook buxus staan en ik snoeide die in de vorm van een beer of andere figuren. Maurice was zo dankbaar. Hij kwam met twee jongskes van een dag of 8 oud, uit zijn ‘Lichte Bourges’. ‘Kan je daar één van steken?’ vroeg hij. Natuurlijk kon ik dat. ‘Kies je daar maar één uit en neem dat maar mee.’ 

En dat is ‘Parel Voets’, moeder van o.a. 1e prov. Limoges, 2e prov. Cahors, 1e prov. Montauban, nog eens 1e prov. Limoges, 1e prov. Brive. Die was gekoppeld aan de broer van ‘Fieneke 5000’ van Flor Vervoort. Die zat in Duitsland en ben ik daar gaan kopen. Die koppeling heeft al die provinciale winnaars gegeven. Die 1e Montauban vloog provinciaal 22 minuten los. Dat was in 2010, geloof ik. In de ganse top 100 nationaal stond geen enkele Limburgse of Brabantse duif en hij vloog de 6e nationaal. Dat zit dus nog in die lijn van de 3e nat. asduif bij de jaarlingen. Dat zit zo. Het jaar dat ik de 1e nationaal Narbonne won, ben ik de 2e nat. Narbonne  gaan kopen bij D. & B Emo. Ik was toen op zoek naar een duiver om tegen ‘Iron Narbonne’ te koppelen. Emo had ook een volle broer van de 2e nationaal zitten: ‘Blue Sky’. Een prachtduif met een prachtig palmares. Maar die wou hij onder geen enkel beding verkopen. Ik koop dus de 2e nat. Narbonne maar ben daar niet mee gelukt. Die gaf niks, nul komma nul. Na twee jaar bel ik die mensen op – in mijn beste gebroken Frans – en ik vraag of we eens niet konden samen kweken. Ik breng mijn 1e nat. Narbonne naar u, ge koppelt die aan ‘Blue Sky’ en ieder krijgt een jongske. Dat is dan de vader van de Olympiadeduif. Heel die familie geeft fantastische nakweek.”

“Ik heb maar 30 kweekkoppels”, gaat Stefan verder. “Naar 2027 toe reduceer ik waarschijnlijk naar +/- 20. Ik heb geluk, ik heb ‘Ghost’. Met elke duivin die ik daaraan koppel geeft hij bruikbare duiven. ‘Ghost’ is zonder twijfel mijn beste kweker. Heeft zeker 10-12 kinderen top 20 nationaal gegeven met allemaal verschillende duivinnen. Zijn vader is ‘de Robert’, nog afkomstig Robert Van Camp-Goovaerts. Die vloog de 3e nationaal Bourges tegen 10.000 duiven en was één van die eerste 12 jonge duiven die ik bij Van Camp ben gaan kopen. Dat is ook nog een mooi verhaal. Ik had van die duif een foto laten maken en aan Robert geschonken. Die had bij hem thuis een ereplaats gekregen. Na zijn overlijden vertelde zijn zoon mij dat in het bejaardentehuis iedereen zijn vader kende en wist op welke kamer hij verbleef. Robert had namelijk die bewuste foto buiten op zijn deur opgehangen.” 

Het legt meteen ook een stukje van de kweekmethode van Stefan bloot. “Ik herkoppel elk jaar. Elke duiver en elke duivin krijgen elk jaar een nieuwe partner. Verkerk doet dat trouwens ook zo. Volgend jaar gaat de eerste keer zijn dat ik daar een uitzondering op maak: de ouders van Vince en Lizy worden terug aan mekaar gekoppeld.” 

DE 6 NATIONALE OVERWINNINGEN
1e Nat. Argenton 2006  4093 jaarse 
1e Nat. La Souterraine 2007 4331 oude
1e en 2e Nat. Bourges 2015 21.522 jaarse 
1e Nat. Narbonne 2018 3420 jaarse 
1e Nat. Chateauroux 2020 33.833 jaarse 
     snelste van 54.633 d. 
1e Nat. Bourges 2025 11.056 jaarse 
     snelste van 19.188 d.

Het hok

Berke Willems heeft de hokken uitgetekend, Stefan heeft ze gemetst. “Ne crème van ne vent, Berke. Maar er hebben er zovelen van geprofiteerd. Dat is ook de eerste die me elke zaterdag belt om me proficiat te wensen. Elke zaterdag. Volgens velen was het geen goed hok. Als ik dan goed gepakt had, zei ik altijd tegen Berke: Wat zou dat geven als ik nu ook nog een goed hok zou hebben? Dan lacht hij zich altijd een breuk.” 

De hokken beschikken allemaal over een ‘kelder’ van 60 cm diepte, waarop roosters liggen. “Dan waait er geen stof op als de duiven opvliegen”, verklaart Stefan de toch wel opvallende diepte onder de roosters. Boven op de roosters liggen wegneembare rollen die verhinderen dat de duivinnen met mekaar gaan aanpappen. Dit deel van het hok is het deel waar de duivinnen zowel ’s nachts als overdag verblijven. Voor de hokken loopt een gang waar de duivinnen gevoederd en gedrenkt worden. Vooraan elk hok bevindt zich een groot open raam. Dat kan afgesloten worden met een muggenzift. Langs de buitenkant is er een glazen raam voorzien waarin ook de spoetnik waarlangs de duiven binnenkomen, is verwerkt. Dit raam kan eenvoudig opzijgeschoven worden. Voor elk raam is ook een aparte ren op wieltjes voorzien, waar de duiven in de winter in vertoeven en op zondag hun wekelijks bad krijgen. Ik vermeld er ook bij dat elke duif hier elke dag minstens eenmaal in de hand genomen wordt. De bijbehorende foto’s brengen hopelijk iets meer duidelijkheid omtrent het systeem zoals hier beschreven. Het dak is voorzien van een hoge nok met bovenaan een kleine verluchtingsspleet. Dat is dan ook meteen de enige verluchting die is voorzien. Noch aan de voorkant, noch aan de achterkant is er enige vorm van verluchting. De schuifpanelen binnen – in zoverre die er al zijn – zijn ook gesloten. Nochtans ruik je geen duiven op de hokken. De ‘kelders’ worden wel elk weekend gekuist en in het najaar wordt de binnenkant van elk hok gedemonteerd en met de hogedrukreiniger afgespoten. Geen vuiltje mag er achterblijven. Winnen schuilt in elk aspect van de duivensport.”

Gemak dient de mens!Hoe doet ie het?

Stefan is niet de massa-inkorver. Op Narbonne had hij bijvoorbeeld slechts twee duiven in de korf. Welk systeem zit daarachter? Hoe bouw je dat op? 
Stefan vertelt: “Ik ga je eerst dit vertellen. Ik ben drie jaar na elkaar als spreker in Belfast op een forum uitgenodigd. En elk jaar begon ik daar hetzelfde: alles begint met goede duiven. Koop morgen een ezel en ga daarmee naar Sterrebeek, die gaat niet winnen. En kweek jij met een andere ezel, die gaat ook niet winnen.”
Stefan speelt, naast de jonge duiven waarmee met beide geslachten aan wedstrijden wordt deelgenomen, enkel met duivinnen. Het plan is om in 2027 toch ook met jaarse duivers te spelen. “Die jonge duivers hebben zo goed gepresteerd dit jaar,” verklaart Stefan.

Keep it very simple

“Toen ik mijn hokken zette, in 2012-2015, dacht ik, ik ga ooit mijn pa moeten missen en dan sta ik er alleen voor. Op mijn zoon moet ik ook niet rekenen, die studeert en is niet geïnteresseerd in duiven. Ik heb overal goed over nagedacht, Michel. Je gaat niet moeten schrijven: Steenbergen poetst elke dag, stofzuigt nog twee uur en moet 100 meter met 10 korven sleuren. Als je alleen bent, moet je het werk herleiden tot het minimum. Ik ga ook nog graag eens weg met de vrouw.” Alles begint reeds met het inkorven. In tegenstelling tot wat ‘in’ is, verblijven de duivinnen tijdens het vliegseizoen nooit in de volière. “Hier zit gedurende de week geen enkele, maar dan ook geen enkele duif in de volière,” benadrukt Stefan. “Alleen op woensdag rijd ik de volières voor de hokken en mogen ze een bad nemen. Als ze droog zijn, moeten ze terug naar binnen. Waarom heb ik geen volières? Ik rij nu met mijn camionette tot voor het hok en binnen de vijf minuten zitten al mijn duiven in de korf, ook al zijn er dat honderd. Ik draag ook nooit de korven naar het lokaal. Ik heb een karretje en daar plaats ik die korven op. Ik heb dan ook nog een handig systeem gemaakt om de duiven makkelijk uit de korf te kunnen nemen. 
De duivers laat ik op zaterdagmorgen los en die komen via de spoetnik binnen op de lege hokken. Op zaterdagavond of zondag jaag ik de duivers terug in een volière, rij ermee tot voor hun hok en ze zitten terug gerust voor de rest van de week. 
Die thuisblijvende duivers worden nooit in de hand genomen. De duivinnen hebben ook geen vaste partner. Vroeger was dat wel, maar dan kwam er eentje thuis, dan papte die met een andere duiver aan waarna dat die zijn vaste duivin dan arriveerde en dikke miserie. Je moest dan ook eerst al die duivers halfbak zetten, wat ook enorm veel werk is. Nu kost het me 10 minuten om de duivers op het hok te zetten en er terug vanaf te halen. Zolang hun vliegcarrière duurt, worden de duivinnen ook nooit gekoppeld. De laatste vlucht komen ze thuis en zitten er geen duivers op het hok, die krijgen ze pas terug te zien bij thuiskomst van hun eerste wedstrijd volgend jaar. Het nadeel daarvan is natuurlijk wel dat je uit je beste duivinnen de eerste drie, vier jaar geen jongen hebt. 

Stefan Steenbergen kende een schitterend jaar van begin tot eind.Voeding en training

Stefan heeft via de firma Natural zelf twee mengelingen laten samenstellen. “Waarom?”, vraag ik hem. “Ik kan het aantal mengelingen dat er op de markt is zelfs op geen 10 handen tellen.” 
Stefan antwoordt: “Ik zal u zeggen waarom. Ik was dat moe van dan dit en dan dat en dan weeral dit en 7 verschillende zakken in de garage en dan nog ne schep van dat. In het begin was ik dan nogal eens weg of zo en vroeg ik aan Linda om wat eten in te kappen. Nu is dat passé, nu ga ik niet meer weg. Maar dan was dat: ‘Van welke zak, of van welke pot of van wat dit?’ Dan ben ik aan tafel gaan zitten met Natural en heb ik een lichte mengeling gecreëerd, Steenbergen 1 en Steenbergen Boost. In het begin van de week krijgen de oude en jaarse duivinnen Steenbergen 1, als het zwaarder wordt, vanaf twee dagen mand, krijgen ze de laatste vier voederbeurten Steenbergen Boost. Vier voederbeurten wil zeggen, dinsdagavond, woensdagmorgen en -avond en donderdagmorgen. Geven ze voor zaterdag heel licht weer, bijvoorbeeld zuidwestenwind, dan krijgen ze alleen de laatste twee beurten Boost. Twee uur voor de inkorving krijgen ze dan nog wat snoepzaad met pinda’s geserveerd. De jonge duiven krijgen het jaar rond Rui Max van Natural. Tot aan de nationale vluchten, dan krijgen ze de laatste vier voederbeurten ook Steenbergen Boost. Ook de vliegduivinnen krijgen na het seizoen, tot ze op één of twee pennen staan, Rui Max. Daarna wordt er overgeschakeld op Steenbergen 1 en dat krijgen ze gevoederd tot Soissons, 220 km. Wat ik soms ook al eens durf bij te geven, bijvoorbeeld toen ze met dat heet weer niet mochten vliegen, is Superdieet van Beyers. Maar heel weinig. Die zak heb ik in mei-juni gekocht en is nu nog voor meer dan de helft gevuld. Mijn kwekers krijgen nooit kweekmengeling, altijd Rui Max, ook als ze jongen moeten grootbrengen.”

De duivinnen mogen eenmaal per dag in de namiddag vliegen. “Ik voeder ze ’s morgens en na een kwartier gaan ze achter de tralies. Er blijft dan altijd wel een beetje, zoals gerst, liggen. ’s Avonds voor ik ze uitlaat, moeten ze eerst de overschot van ’s morgens opeten en kunnen ze drinken. Dan begint hun training. Nadat deze afgelopen is – de duivinnen trainen gemakkelijk één tot twee uur, dat zit in het DNA van mijn duiven – roep ik ze binnen en krijgen ze terug een kwartier om te eten. Dat is zo simpel als iets. Ik zeg altijd: gebruik uw gezond boerenverstand. Verander niet van systeem. Van 2015, toen ik 1e nat. Bourges won, tot nu, heb ik geen haar – ik heb nu wel geen haar meer – veranderd aan mijn systeem. Als het toen ging, waarom dan nu niet. Bijproducten geef ik niet meer, dat zweer ik. Wat ik wel doe na het vliegseizoen, ik zou anders liegen, is 3 tot 4 keer per week Sedochol van Belgica-De Weerd in het water. Wat ik ook al eens durf geven na een heel zware vlucht is Brockamp Probac 1000. Van Schroeder heb ik ook Tollyamin omdat ik graag eens afwissel met Belgasol. Een duif die achterblijft van een vlucht en dagen erna terug thuiskomt steek ik een Recharge-pil op van De Weerd. De dag erna nog één. Als diezelfde duif dan een dag later niet terug fris zit, wordt ze verwijderd. 

Een kijkje in de hokken bij bij Stefan Steenbergen.Wat de training nog betreft: de jonge duivers worden met de vlag getraind. Die zitten hier anders na vijf minuten op het dak rond te draaien en te brullen. Ze moeten trainen. Vroeger kregen de duiven in de winter ook vrij hok. Ik spiegelde mij daarvoor zo een beetje aan de wielrenners. Die duiken na het wegseizoen ook het veld in of ze gaan mountainbiken. Ik heb dat één jaar niet gedaan omdat ik die winter vrij veel van huis was. De prestaties waren er niet minder om en dan ben ik er het jaar nadien mee gestopt. Ook omdat het risico toch ook iets groter is dat ze slachtoffer worden van een roofvogel. Nu komen de duiven thuis van hun laatste vlucht en komen ze zowat in maart voor de eerste keer terug buiten. 

De jonge duiven worden ook gedrild. Dat waren er 99. Als ik daar op fluit zijn die binnen de 10 tellen binnen. In het begin heb je er altijd wel enkele die dwaas willen doen maar die mogen dan een nacht buiten slapen. De jonge duiven worden verduisterd van 16.00 uur in de namiddag tot 22.30 uur. Daarna wordt de verduistering opgeheven. 
Ik moet naar niks zien. Gaan we weg en komen we pas om 24.00 uur of later thuis, geen probleem. Dan stoppen we de verduistering op het uur dat we thuiskomen. Vanaf de langste dag wordt er bijgelicht van 06.00 ’s morgens tot ’s avonds 22.30. De oude en jaarse duivinnen worden nooit verduisterd.”

Gezondheid

“Geloof het of geloof het niet, maar ik ga nooit naar de veearts. Nooit.” Zijn vrouw Linda getuigt: “Nee nooit. Alleen in noodgevallen als er eens een duif moet genaaid worden, rijden we snel naar Ectors, hier een kilometer vanaf.” En dan vervolgt Stefan: “Gisteren ben ik voor de eerste keer in 10 jaar met enkele nieuw aangekochte duiven die ik wil inbrengen naar een plaatselijke veearts geweest, kwestie van geen ziektes binnen te brengen.” 

Heeft Stefan dan nooit last van bijvoorbeeld one eye cold bij de jonge duiven? Stefan vertelt: “Heel in het begin heb ik daar ook last van gehad. Dat kwam pas op, iedereen had dat.” Wat Stefan nu vertelt is geen wetenschap maar berust op eigen ervaring. “Ik had vier hokken met jonge duiven en allemaal hadden ze het. Die vier hokken heb ik allemaal behandeld met een verschillend zalfje. Hok per hok, ieder een ander zalfje. De derde dag zag ik nog niets verbetering, nul komma nul verbetering. Gestopt met die zalfjes. Wat wel helpt: als je een volière hebt, sluit die duiven zo’n 3 à 4 dagen buiten, ook ’s nachts. Als overdag de zon te fel schijnt, zet ik ze wel binnen en staan de muggenziften in de ramen. Na het seizoen worden de duiven wel zuiver gezet. Met altijd die twee of drie nachten mand moet je wel een beetje voorzichtig zijn. Ze krijgen nu 10 dagen BS en dan is het gedaan.” 

Na thuiskomst van de vlucht krijgen ze ook BS en Belgasol en om de maand krijgen ze een pil Belga Magix opgestoken. “Dat is geen geheim. Waarom zou ik dat verzwijgen? Ik heb het liefst dat iedereen zijn duiven zo gezond als mogelijk de korf ingaan. Die kunnen de mijne dan niet besmetten. Ik ben God de Vader niet maar als een duif morgen ziek wordt, heb ik dat vandaag gezien. Wat was de vraag ook alweer? ‘De duif of de melker?’ Weet je wat ook een waardemeter is? Als ik de duivinnen ga uitlaten en ze hangen tegen de tralies te ‘bonken’ om buiten te geraken. Linda kan dat tot hierbinnen horen. Als je je hok openzet en je moet je hok opgaan om de duiven buiten te jagen, mankeert er iets.”

PROVINCIALE OVERWINNINGEN 2026
1-3e Prov. La Chatre  480 oude
1-8-9e Prov. La Chatre  819 jaarse
1-2e Prov. Bourges  783 jaarse
1-2-3-4-5-7e Prov. Argenton 1218 jonge

Het lijden van een nationaal kampioen (en bij uitbreiding van elke duivenmelker)

Ook bij een kampioen loopt niet altijd alles van een leien dakje. Ook een kampioen maakt nog fouten. We laten Stefan terug vertellen. 
“Ik kweek elk jaar een 120 à 125 jonge duiven. Ik speel zaterdag Soissons en win de dertien eerste. Ik had er 99 mee en een uur na mijn eerste heb ik er 97 terug. Die duifjes zitten op de schuifdeur en die blijven tot zondag samen. Ik zet dan de ramen open en ze krijgen een bad. Ze liggen dan in het gras. ‘Ze liggen weer in de wellness, aan het ontstressen’, lach ik dan dikwijls tegen Linda. Ik ga even naar binnen, een boterham eten, ik kom terug en merk dat er duiven te kort zijn: 15 stuks. Van die vijftien vlogen er 9 in de eerste 20 op zaterdag. Geen enkele heb ik daarvan teruggezien. In Hannuit waren die zondag iets meer dan 5000 Duitse duiven gelost. Diezelfde week vliegt mijn tweede ronde hier een beetje rond het dak. Komt er hier plots een streep duiven door, zover ik kon zien. Alles mee. Komen er direct een stuk of acht terug en nog eens één of twee, maar na een half uur geen enkel meer. Pas op, dat was in diezelfde week. 23 Nooit meer gezien. Drieëntwintig en dertien. Achtendertig duiven kwijt op 3 dagen. Aan huis. Toen viel ik bijna dood. Toen zei ik tegen Linda - nu telt dat niet meer, ik ben op pensioen: ‘Dat hier nooit ene van de belastingen aankomt want die stamp ik over de poort met wat je hier allemaal meemaakt’. Ik ga u vertellen wat ik meemaak met de 3e nationale asduif. Dat is een story, dan gaan ze zeggen: Dat is nu een echt klein kind maar dat doet niks. ’s Woensdags voor de inkorving donderdag van Argenton laat ik mijn duiven uit. Die jonge duiven trekken een dik uur weg. Komen terug. Vince had ik een rode chipring aangedaan. Die vliegt ook altijd alleen, vliegt nooit mee met de klad. De week voordien was hij hier komen rondvliegen met een rosse duivin. Ik schiet geen duiven dood, dat doe ik niet. Die duivin vliegt even apart en ik schiet met mijn alarmpistool de lucht in. Die rosse flikkert weg en hij mee weg. Een half uur daarna komt hij terug. “Op dat half uur had hij al zeker 10 keer gezegd: nu zie ik hem niet meer terug, nu is hij weg, die ben ik kwijt,” vult Linda aan. 

De jaarlijkse “grote kuis” op de kweekhokken is in volle gang.Stefan vervolgt: “Dat is dus voorgevallen. Nu naar die woensdag. Ik kom binnen: ‘Het is weer van dat. Begint weer niet over die duif’, zegt Linda.”
Linda onderbreekt ons: ”Ik zeg altijd: die duif is zoals zijne baas, die ziet de vrouwen ook ‘gere’ op een ander.
Stefan: “Dus dan zegt Linda: ‘Kom je eten?’ Ik: ‘Nee, ik kom niet eten, ik heb geen honger.’ Nu moet je horen wat een klein kind ik ben. Dus na een uur is die duif nog altijd niet terug. Weet je wat dat is een dag voor inkorving? Uw beste duif. Wat doe ik? Camionette in.
Linda: ‘Wat ga je doen?’ 
Stefan: ‘Zien waar er duiven vliegen want daar is hij naartoe.’ Ik rij naar Paul Jamar, geen duiven in de lucht. Ronny Menten, geen duiven in de lucht. Hendrickx woont daar verder, geen duiven in de lucht.  Doorgereden, daar woont Erik Brans, ook geen duiven. Daar woont Patrick Princen, ook geen duiven uit. Tja. Ik kom terug, rij binnen… loopt hij daar op de klinkers van zijn kl… te maken.”
Om voort te gaan wat een duivenmelker lijden kan. Ne kameraad maakt er mij attent op dat ik goed sta voor het nationaal kampioenschap. Stefan, ge moet nog twee duiven thuishouden voor de laatste vlucht vanuit Issoudun. Ik heb twee duiven, de 701 en de 754. Die hebben geen enkele keer gemist dit jaar en vliegen altijd per 10-tal. Die ene is een zus van mijn Olympiade. Ik laat mijn duiven uit, drie niet thuis. Een uur later vallen ze dan toch alle drie. Ik pak die ene ’s anderendaags vast, om te controleren of ze haar derde pen niet gestoten had en ik zie: zo blauw als ne lap. Ik naar binnen met die duif en weeral maar eens aflopen. ‘Laat eens zien die duif’, zegt Linda. ‘Och, ze is blauw maar ze is niet gekwetst’. Ik geef dan ook één mee, die is veertien dagen weggeweest van Bourges. Die is thuisgekomen met afgevreten pennen. Ze was de week voordien mee geweest naar Toury, een half uur te laat.  Maar ze moest mee, ik wou weten wat voor vlees ik in de kuip had. We zitten hier op zaterdag dan te letten. Linda met haar laptop. “Van Rompaey heeft gepakt. En Veulemans.” Ik zeg tegen mezelf: ”Jaag u niet op, die duiven vliegen altijd per 10-tal. Valt die met haar kapotte pennen, mijne nummer drie. Ik terug aflopen: ’t is naar de kloten hè, ’t is voorbij. Vorige week dat, nu dit. Dat kan toch niet dat die eerst komt.” Ineens vallen nummer 1 en 2 dan op de klep. Ontlading. Die stress die dan van u afvalt. Ik had de tranen in mijn ogen. Maar ik had de week voordien al kampioen kunnen zijn. 

Al honderd keer is het gezegd. Verander de volgorde van je getekende duiven niet. Ik weet dat en toch doe ik het. Ik had eentje zitten die 7 op 7 gevlogen had, altijd per 10-tal. Die was beginnen aanpappen met een jonge duiver. Ik doe dus wat je niet mag doen en zet die als eerste in en schuif al de rest een plaatsje op. Vince vliegt de 29e nat. Argenton, Lizy de 40e. Mijn eerste getekende is maandagmiddag naar huis gekomen. Ik ben dit jaar trouwens ook nog een super goede oude duivin kwijtgespeeld. Vliegt 6 maal bij de eerste 71 nationaal. Ik ga enkele jongen oplaten in Namen en neem een stuk of 8 duivinnen mee. Blijft er 1 duivin achter, net die natuurlijk. Maar ach, Michel. Het zijn natuurlijk nog altijd maar duiven. En als je dan al eens wat meegemaakt hebt. Ik heb dat met mijn vader meegemaakt, daar zat ik de drie laatste nachten langs. Dan weet je pas hoe kort het leven is. En moet je dan ruzie gaan maken over duiven?  Een week voor de nationals had ik 4 jongen die het een beetje op hun ogen kregen. Toen kreeg ik wel wat schrik. Toen heb ik wel twee dagen Belga Tai en Orni Special gegeven. Tot dan hadden die jonge duiven niets gekregen. Dat is dan niet uitgebroken, is dat daardoor? Dat weet ik niet. En nu moet ik hout vasthouden – het is zeker vijf jaar geleden dat ik adeno heb gehad. Het is wel zo dat ik voordien elk jaar noteerde welke duiven ziek werden. Het jaar nadien noteerde ik dat terug. Bleek dat zij van dezelfde ouders afstamden, werd alles opgeruimd: vader, moeder, alles. 

Een kijkje in de hokken bij bij Stefan Steenbergen.如果你把那只卖了,就再也别叫我来这配对了。(Als je die verkoopt…)

“Ik blijf erbij Michel, kwaliteit primeert, de kwaliteit is prioriteit en daarom dat ik geen enkele van mijn As- of Olympiadeduiven verkocht, geen enkele. Vroeger heb ik er wel verkocht, ook nationale winnaars. Ik had een job op de gemeente en je wilt dan deze hele accommodatie zetten. Ik wou niet aan mijn spaarcenten gaan, ik had ook nog een woning gebouwd. Dan verkocht ik die duiven en bouwde weer een hok bij. En ik dank onze Lieve Heer, of Hierboven of Hoe Je Het Wilt Noemen. Dan investeerde ik in 2011 in mijn kweekvolière, in 2012 in dat hok, in 2015 dat hok. Dat geld van die verkoop altijd terug opzij gaan leggen en dan duiven, duiven, duiven. Nu wil ik geen enkele goede duif nog verkopen. Die moet ik zelf houden. Nu wil ik gezond blijven, maar dat kan je niet bestellen, goed spelen met duiven ook niet maar ik wil toch proberen als ik gezond blijf, goed te spelen met duiven. Daar is ook een verhaal aan. Voor Xantos, de vader van Vince en Lizy, kreeg ik een bod vanuit China. Ik antwoord: ‘Nee die verkoop ik niet’. Het bod werd echter verhoogd waarna ik toch aan verkopen dacht. Zegt mijn Chinese kameraad: Rúguǒ nǐ bǎ nà zhī mài le, jiù zàiyě bié jiào wǒ lái zhè pèiduì le. In het Nederlands: ‘als je die verkoopt moet je mij nooit meer vragen om hier te komen koppelen’. Hij komt hier altijd koppelen, hij doet dat graag. Hij blijft hier dan 3 à 4 dagen logeren om te koppelen. “Dan moet je mij niet meer vragen want dat is volgens mij de beste kweker – niet alleen op uw hok - die ik al ooit gezien heb.” Hij heeft Xantos en Leo’s 263 ook samengesteld. Het jaar daarvoor koppelt hij een duivin van ’16 die hier vanachter zat, waar ik al twee jaar niet meer van gekweekt had. Ik zeg nog: een 9-jaarse duivin, misschien legt ze wel niet meer. Maar hij was resoluut. Op 4 races komen daar de 4e en 27e beste jonge duif over 4 vluchten uit.”

Een kijkje in de hokken bij bij Stefan Steenbergen.Scheefgroei en achteruitgang van de duivensport

“Iedereen kweekt alsmaar meer jonge duiven. Mijn grootvader indertijd kweekte er vierentwintig en daar speelde hij het seizoen mee uit. Iedereen heeft meer verliezen, en daar zullen satellieten of gsm-straling misschien wel mee te maken hebben. Maar waarom zitten er hier van die Platteeuw-duiven nog 10 van de 11? Ik ben niet de man van de grote aantallen maar ik heb wel 7 nationale asduiven bij de eerste 100. Hele lokalen worden opgeslorpt door grote aantallen duiven. En dat is de achteruitgang van de duivensport, de scheefgroei tussen de ‘gewone liefhebber’ en de ‘prof’. En de KBDB verandert niets. Moest ik morgen voorzitter van de KBDB zijn, ik zou zeggen: je zet bv. 50 oude, 50 jaarlingen en 100 jonge in en dat is het. Daar moet je het jaar mee rond komen. Punt aan de lijn. En dat gaat trapsgewijs omlaag met onze sport. Het leven is een pak duurder geworden en de gewone liefhebber, die moet elke week naar zijn vrouw om € 50 gaan bedelen. Dan komt het weekend, die ‘grote zet’, de ‘heeft’ en de ‘pot’ en die wint dan met zijn 156e inzet de heeft en de pot. En die kleine liefhebber moet weer naar zijn vrouw om € 50 gaan bedelen. En die vrouw is niet content, want die duivensport kost niet alleen veel geld maar ook nog eens veel tijd en bepaalt ook voor een stuk mee het humeur van de liefhebber. Tot die vrouw zegt: “Zou je nu eens niet beter stoppen met die duiven?” Dat is de ondergang van het duivenspel. 

Stresskonijn

Stefan is een winnaar die op geen inspanning kijkt om zijn doel te bereiken op voorwaarde dat die inspanning nuttig is om dat doel te bereiken. “Ik probeer zoveel mogelijk om nutteloos werk te vermijden en elke handeling die ik moet doen tot zijn grootste eenvoud te herleiden.” Wat Stefan tijdens dit verhaal ook dikwijls meegaf als het over verzorging en dergelijke ging: “Iedereen is hier altijd welkom. Iedereen mag hier midden in de week onaangekondigd aankomen. Je gaat hier geen zaken aantreffen die ik niet vermeld heb, noch wat betreft voeding, noch ondersteuning, noch verluchting, noch het verblijf in de rennen enz. Ook wat de duur van de trainingen betreft. Daar zijn er al veel naar komen kijken. Iedereen zal hier ook een koffie aangeboden krijgen. Alleen als de duiven thuiskomen, wil ik niemand rond mij, uitgezonderd Linda natuurlijk. Dan ben ik het grootste stresskonijn dat er rondloopt. Dan wil ik met rust gelaten worden.”

Auteur: 

Zircon - This is a contributing Drupal Theme
Design by WeebPal.