Liefhebber:
Tielen – Fernand Mariën (73) is een van de bekendste duivendierenartsen van West-Europa. Zelf kreeg hij de liefde van de duiven mee van vader “Jef” Mariën. Jef was er zo eentje... als je die een duif liet kiezen op je hok, was je je beste duif kwijt. Duivengenen zitten deze familie in het bloed.
Fernand studeerde af als dierenarts en was gespecialiseerd in voortplantingsstoornissen bij grote huisdieren. Duiven waren zijn hobby en passie, maar de hobby ging zich steeds meer mengen met het werk. Fernand leerde steeds meer over duiven en werd uiteindelijk een autoriteit op dit gebied. Overal reed hij naartoe, van Friesland tot diep Duitsland in, overal wilden mensen hun duiven door hem laten onderzoeken.
In die dagen was hij weinig thuis, altijd op de baan. De duiven werden dan verzorgd door echtgenote Diane en zoon Koen (39). Koen heeft net als vader zijn hele leven tussen de duiven doorgebracht, eerst min of meer verplicht, maar het duurde niet lang voor hij de microbe ook te pakken had. Vitesse en halve fond is hun ding momenteel. Tijdens de week verzorgt Fernand de duiven, bijgestaan door vriend Stefaan Breugelmans. In het weekend komt Koen, die dakwerker is, van zijn dak af en verzorgt hij de duiven.
Al jaren spelen vader en zoon succesvol de vitesse en hafo. Ook dit seizoen werden er weer diverse eerste prijzen gevlogen en voorlopig mogen ze deze winter al wat mooie prijzen gaan ophalen. In Hafo-Centraal winnen ze bij de oude 1e, 2e, 8e, 14e, en 17e asduif en bij de jaarse 6e en 14e. Bovendien worden ze ook 1e Kampioen oude/jaarse Hafo Centraal en 1e Kampioen jaarse Hafo Centraal.
De asduif bij de oude is B23-6066615 (tevens 5e asduif hafo Turnhout-Kempen en 9e World Best Pigeon jaarse 2024). Deze blauwe duivin heeft een vader van Dierickx-Visschers (Zele), hun superkweker “Onbekende Soldaat” B15-4052326. Deze werd gezet tegen duivin “Miss Thys” B21-6032797 van Roger en Nick, zij is een dochter van hun “Thor” (zoon stamvader “Witte 6”) en “Maria” een duivin van Gaston Van de Wouwer, een bewezen koppel. Twee jaarse toppers afgelopen seizoen waren de blauwe duivinnen B25-6154338 en B25-6154483. Hun prestaties en pedigrees vindt u bij dit artikel.
Wij gingen op de koffie bij Fernand, Koen en Diane. Ons gesprek ging vaak van de hak op de tak. Eén constante was er echter, Fernand zijn indrukwekkende kennis over duiven en zijn groot relativeringsvermogen. Wie hem kent weet dat hij als dierenarts zeer rechttoe, rechtaan is. Hij schuwt geen heilige huisjes en heeft overal een duidelijke, maar vaak genuanceerde mening over, maar leest u vooral mee.
DD: Laten we beginnen bij het begin, welk systeem spelen jullie?
Koen: We zijn het seizoen begonnen met 30 doffers en 30 duivinnen met thuisblijvende partner. De duivinnen vliegen de halve fond en de duivers hoofdzakelijk vitesse al zijn er wel een aantal doffers die verder gespeeld worden.
DD: Wanneer werden de duiven gekoppeld? Hoe wordt er gekweekt en hoeveel jongen kweken jullie?
Fernand: We hebben een 30 kweekkoppels en die werden gekoppeld half december. We kweken een 130 jongen uit de eerste rondes en daarna nog een twintigtal laatjes.
We kweken een 130 jongen uit de eerste rondes en daarna nog een twintigtal laatjes. Mijn vliegduivinnen zijn veel te heftig. Eind februari breng ik die eens op nest en laat ze wat broeden om ze rustig te houden. De eitjes van de beste worden dan herstoken. Het ene jaar kweken we uit de vliegers, het andere jaar niet, afhankelijk van de omstandigheden.
DD: Wanneer werd er dan begonnen met het opleren van de oude?
Koen: Half maart zijn we begonnen, maar er werd niet veel mee gereden. Een keertje Herentals en Herenthout en daarna de mand in naar Quiévrain.
Fernand: Vroeger vlogen ze veel vrij in de winter, maar dat gaat al jaren niet meer. Als we dit nu zouden doen dan hielden we er amper nog over om aan het seizoen te beginnen. We hebben hier heel veel last van de roofvogels. Veel rijden hoeft, volgens mij, zeker niet met oude.
Koen: Het is in het verleden al wel eens gebeurd dat er niet mee gereden werd, gewoon zo recht de mand in voor Quiévrain.
Fernand: Natuurlijk moet er begin van het seizoen intensief getraind worden maar dat kan perfect aan huis. Ze trainen in de namiddag en vanaf een maand voor hun eerste Quiévrain trainen ze 45-60 minuten per dag, en dan vliegen ze echt voluit. Begin van het seizoen moet ik zeker de vlag steken bij de duivinnen, bij doffers heeft dat geen nut. Die moet je niet tegen hun goesting aan het vliegen houden. Duivers vliegen anders, die gaan even zitten, vliegen dan weer op en gaan er weer vandoor, duivinnen vliegen beter.
Tijdens het seizoen trainen de duivinnen een 45 minuten, dat is meer dan genoeg. De conditie is dan immers al opgebouwd. Vaak is het zelfs maar een half uur, belangrijkste is dat ze intens vliegen.
Koen: De laatste vier vluchten van het seizoen worden de duivinnen trouwens op nest gespeeld. Die blijven dan een weekend thuis voor de koppeling, vliegen dan een Quiévrain of Noyon en gaan dan door voor de laatste vluchten.
Fernand: We moeten wel. Zoals ik al zei, ik kan anders mijn duivinnen niet kalm houden, die worden zot. Opvallend is dat ze dan ook goed trainen eens ze op nest zitten, vaak beter dan op weduwschap. Ze zijn dan veel rustiger dan wanneer ze gewoon op weduwschap zitten. Zelfs bij dat hete weer, ze trainen dan kort, maar er zit snee op.
De jonge duiven zijn angstig!
DD: En hoe zit het met het opleren van de jongen?
Koen: Met de jongen werd toch een keer of tien gereden. Dit doen we natuurlijk in stapjes tot Heist o/d Berg (30 km) en dan mee naar Quievrain. Tijdens het seizoen wordt er tussendoor al eens mee gereden. Ik heb dan verlof en dus is er wat meer tijd.
Fernand: Er is al jaren iets aan de hand met de jonge duiven. Die trainen niet goed omdat ze zich angstig voelen. Ik weet niet of het er iets mee te maken heeft, maar feit is dat ik dit beginnen ondervinden ben met de opkomst van de gsm’s. Misschien dat die straling hen stoort en ze zich daardoor minder op hun gemak voelen. Ik weet het ook niet, ik stel alleen maar vast.
DD: Worden de partners getoond ter motivatie?
Koen: Nee. Op de vitesse worden de duivinnen ingekorfd op hun hok en daarna moeten we door het hok van de doffers. Ze zien dan sowieso even de doffers en het gebeurt soms dat we de korf daar even op de grond zetten en kort laten staan.
Fernand: De donderdag van inkorving laat ik ze in de namiddag nog eens vliegen. Iets vroeger dan de andere dagen. Zoals ik al zei, ze zijn vaak te heftig en soms duurt het wel even voor ik de laatste binnen krijg. (lacht)
De duivinnen krijgen eten en drinken in de reiskorf. Ze eten dan veel beter dan wanneer ze niet in de mand zitten en zo leren ze het ook. Bij de doffers doen we dit niet, die zijn dan veel te hevig en gaan vechten om het eten.
Bij thuiskomst zitten de partners halfbak te wachten en eens zowat driekwart thuis is mogen ze samen. Dit mag best enkele uren zijn tot wel 5 à 6 uur, bij heel zware, late thuiskomsten zelfs tot ’s anderendaags. Ik snap die mensen niet die ze maar 15 minuutjes samen laten. Die beestjes doen zo hun best om op tijd thuis te zijn, gun ze dat dan ook!
DD: Hoe staan jullie trouwens tegen alle lossingsperikelen van de laatste weken en de hitte?
Fernand: Het belangrijkste blijft volgens mij het drinken in de mand. Duiven moeten dat leren, anders doen ze het niet. Zo ben ik een voorstander van twee nachten mand voor de hafo. Zo krijgen de duiven ook de kans om het te leren. Duiven zijn gewoontedieren, dit wil zeggen dat ze alles leren door herhaling. Dat wil echter ook zeggen dat het moeilijk is om ze een slechte gewoonte af te leren. (lacht)
Maar om terug te komen op dat drinken in de manden, dat moet beter. Ik ging vroeger al eens lappen naast de lossing van Quiévrain, dan zag ik dat op sommige wagens geen drinken hing. Bij koel weer is dit in principe geen probleem op de vitesse, maar toch is het nodig, ze moeten het immers kunnen leren.
Koen: Zo komen de duiven van Noyon vaak slechter thuis, enorm dorstig, omdat ze gewoonweg te weinig tijd hebben om ze deftig te verzorgen.
Fernand: Er wordt veel geklaagd over de verzorging op de hafo, en daar zal zeker ruimte zijn voor verbetering, maar volgens mij gaan er ook gewoon veel duiven mee die het nog niet kennen om te drinken. Ook onderweg gaan drinken moeten ze leren. Een duif die uitgedroogd thuiskomt van de hafo is dus niet gaan drinken onderweg, of te weinig. Een duif die van de fond thuiskomst is frisser want die is wel gaan drinken, die moet wel anders raakt ze niet thuis. Een duif die dat nog niet kent gaat met grote dorst ook naar beneden, maar weet nog niet wat te doen. Diegene die het kennen die landen midden in een vijver of plas, duiken daarin met de vleugels open, drinken en verfrissen wat en vliegen weer verder, of ze scheren zelfs over het water en drinken zo, maar ze moeten dat dus wel leren om te doen.
Maar ook het transport kan beter, er moet meer gelet worden op details ook. Rustpauzes en wachten niet met de camion in de vlakke zon, maar ergens een schaduwplaats zoeken. Wanneer het heet wordt op de wagen, ga er dan even mee rijden met zoveel mogelijk open. Voer tussendoor kleine beetjes en geef drinken, zo drinken ze beter. Allemaal details die kunnen helpen. Natuurlijk kost dit tijd en mankracht maar volgens mij krijgen ze al meer dan genoeg voor het transport en anders wil ik met plezier iets bijbetalen om mijn duiven tiptop te laten verzorgen. Kippen op weg naar de slachterij worden vaak beter vervoerd dan onze reisduiven.
Het zijn levende dieren, topatleten, en we verwachten veel van ze, dan moeten we ook wel iets terugdoen voor die beestjes. Het zijn trouwens ook allemaal individuen en ze zijn allemaal anders. Er zijn duiven die leren om zich al vliegend te verfrissen met een bad. Die scheren over het water, raken het water en vliegen weer door. Een duif die dat niet kan, kan best een goeie zijn, maar niet op hete dagen. Bepaalde duiven doen het goed op bepaalde vluchten. Sommige vliegen laag, sommige vliegen hoog. Dit kan afhankelijk van de omstandigheden en voordeel of een nadeel zijn.
Eigenlijk moet je hier de selectie laten spelen en die het niet kunnen, vallen dan maar af. Ik ben zelfs echter te voorzichtig, ik zie ze te graag. Ik hou ze te snel thuis omdat ik denk dat ze het niet gaan aankunnen, dat het geen vlucht voor hen is.
DD: Vertel eens iets over de stamopbouw op jullie hokken!
Fernand: Eigenlijk is dat nog altijd grotendeels onze eigen soort die helemaal teruggaat tot de duiven van mijn vader. Daar werd ook veel Jules Dierickx (Zele) in gekruist. Natuurlijk is er ook nieuwe inbreng. Met nieuwe duiven is het echter hetzelfde als met zelf kweken, je hebt veel meer slechte dan goeie. Regelmatig herparen en blijven zoeken naar de juiste combinatie en uit die enkele combinaties die echt goed pakken probeer je dan meer te kweken. Alles draait tenslotte om het vinden van die ene super vererver.
Je moet een duif op de kweek ook kansen geven. Soms kweken mensen drie nesten uit een duif en ruimen ze die op omdat er geen winnaars uitkwamen. Dat is toch veel te kort. Een duif waar ik vertrouwen in heb die blijft zeker 5-6 jaar op de kweek zitten. En dan plots pakt het soms.
Zo zijn we heel goed geweest met “Miss Kelly” die John (van Wanrooij) en ik samen kochten bij Stickers-Donckers. De laatste jaren hebben we ook diverse goeie gehad van Roger en Nick Thys, zoals de moeder van 615/23.
Er zijn meer goeie duiven dan goeie melkers!
DD: Hoe sta je tegenover grote commerciële hokken en massa-inkorvers?
Fernand: Ik benijd die mensen zeker niet, want het is een massa werk, maar ik begrijp dat het heel frustrerend is om daar tegen te spelen. Alles hangt, denk ik, ervan af hoe je daarmee omgaat. Als ik iedere week tegen Bas Verkerk moet spelen dan weet ik dat ik niet vaak zal winnen. Maar als ik er dan in slaag om enkele duifjes te klasseren tussen die massa van Bas, dan ben ik tevreden, en af en toe er eens voor pakken natuurlijk. (lacht)
Er zijn ook mannen met een kleine mand die wel weten te winnen van die “grote” spelers. Weet je, sommigen vergeten wel eens, je moet het ook kunnen. Vergeet niet, er zijn veel meer goeie duiven dan goeie melkers. Er zijn mensen, die hebben het in de vingers. Dat zijn de mannen, laat die iets kiezen op je hok en je bent je beste duif kwijt, onze pa was er ook zo ene. Wel, die mannen klagen niet over de sterke hokken, die proberen daar gewoon voor te pakken.
De commerce heeft het natuurlijk ook allemaal niet simpeler gemaakt. Ze denken te snel dat ze allemaal superduiven hebben. Er zijn tegenwoordig meer makelaars dan melkers. (lacht)
DD: Vertel eens wat over hoe en wat je eten geeft!
Fernand: In de voorbereiding krijgen ze tweemaal per dag te eten. Dan moeten ze conditie opbouwen en dus flink trainen en daar is energie voor nodig. Daarna schakel ik over op eenmaal per dag, rond 15-16 uur worden ze gevoerd. Wij geven Beyers, we mengen 6 delen sport met 3 delen dieet en 1 deel snoep. Bij de mengeling van de jongen doen we wat meer dieet en als het heet is gebeurt dit bij het voer voor alle duiven. Licht voer is goed, daar zitten veel eiwitten in.
Vroeger ging daar voor de inkorving wat kemp en zonnebloempitten enzo bij, tegenwoordig gaat de NPO-mix van Embregts-Theunis eronder, soms geven we zelfs alleen maar die NPO-mix en regelmatig krijgen ze ook nog wat extra pinda’s.
Eén keer per week gaan ook mijn eigen mineralen over het eten, bij thuiskomst. Er staan ook verwarmingselementen op de hokken met daarop een potje mineralen, daar kunnen ze tussendoor altijd wat van pikken. Die mineralen, dat is een mengeling van 50 kg vitamineral gemengd met 18 kg andere ingrediënten. Wat deze zijn? Dat ga ik niet aan je neus hangen! (lacht) Biergist, dat zit er onder andere in. Het zijn allemaal mineralen en andere nuttige stoffen. Bij de kweek hebben ze dat altijd vrij ter beschikking. Ook voor de jongen is het heel nuttig als ze dit de eerste twee maanden regelmatig krijgen, dan nemen ze veel mineralen op.
Als het heet geweest is krijgen ze Tollyamin van collega Schroeder of andere elektrolyten in het water. Ze krijgen ook één keer per maand (meestal de zondag na de vlucht) siroop die als functie heeft reserves aan te leggen in het bloed. Die siroop zorgt ervoor dat een deel van de voeding uit het eten tijdelijk in het bloed gestockeerd wordt om later van nut te kunnen zijn. Die siroop is 6 weken werkzaam, dus als je het om de 4 weken geeft blijft de werking altijd optimaal.
Soms gaat er ook eens wat conditiepoeder over het voer. Dat wil zeker niet zeggen dat iedere duif in de groep dat nodig heeft, maar je moet duiven behandelen als groep. Dus je geeft iets aan heel de groep.
DD: Geen gele druppels over het voer?
Fernand: (heftig) Neeeee, ik geloof niet in de werking daarvan. Wij geven hier nooit iets voor tricho, ik doe natuurlijk wel regelmatig controle. Als het er dan toch is kan je ze beter laten uitzieken en zo weerstand opbouwen, het is zeer zelden nodig om in te grijpen. Vier-vijf jaar geleden is de laatste keer dat we hier tricho hadden op de hokken. We zaten toen met mycoplasmose op de hokken. Dan zijn die luchtwegen reeds verzwakt en kan tricho ernstig worden, dan moet je ingrijpen. Enkel zo is tricho trouwens een probleem, als er reeds onderliggende problemen zijn. Maar, één keer dus, en daarvoor was het zeker 30 jaar geleden.
Coccidiose is geen ziekte van duiven, het is een ziekte van veeartsen
DD: En coccidiose?
Fernand: (lacht) Coccidiose is geen ziekte van duiven, het is een ziekte van veeartsen. Ik begrijp collega’s wel. Als je niets geeft ben je geen goede arts en gaan ze op een ander, maar echt, coccidiose is geen probleem. Er zijn drie soorten en een duif moet er al minstens twee hebben wil er een echt probleem ontstaan.
We moeten meer leren afblijven van onze duiven, de natuur zijn gang laten gaan en weerstand opbouwen. Ik leerde dit al van mijn vader. Toen ik pas afgestudeerd was als dierenarts zat ik bij vader naar de duiven te kijken die aan het trainen waren. Ik wilde laten zien wat ik kon en wat ik wist en ik stelde aan vader voor om zijn duiven eens te onderzoeken en eventueel behandelen. Vader zei: “Gij blijft just van mijn duiven af!” en daarmee wist ik het. (lacht) In het weekend gaf hij vijf duiven mee en won drie eerste prijzen. “Zeg het nu nog eens,” was zijn antwoord toen. (lacht) Daar heb ik geleerd niet te snel te panikeren, lichte infecties zijn vaak geen probleem.
DD: Wat wordt hier dan wel gedaan op medisch vlak?
Fernand: Voor het seizoen wordt er geënt tegen rota-paramixo, de oude één keer en de jongen twee keer. Niet bij het spenen, maar als ze 5-6 weken zijn, en vier weken later nog eens. Ook worden zowel de jongen als de jaarlingen met het borsteltje behandeld tegen de pokken. Vroeger dachten we dat eenmaal behandelen in orde was, nu weten we dat dit moet herhaald worden, dus éénmaal wanneer ze jong zijn en nog eens herhalen als jaarling en daarna zijn ze in principe resistent. Nooit heb ik na deze behandeling later nog problemen geweten.
DD: Dus ook niet preventief kuren tegen paratyfus?
Fernand: Nee zeker niet. Kijk, als er echt een probleem is dan moet je ingrijpen natuurlijk. Zolang mijn duiven er gezond uitzien onderzoek ik ze zelfs niet, maar als je twijfel hebt laat dan mestonderzoek doen, dan weet je het. Na controle kunnen ze ook een op maat gemaakt medicijn ter behandeling maken, dan ben je ook zeker dat het perfect werkt.
Nooit zomaar blind ingrijpen, ingrijpen betekent dan een kuur antibiotica. En als het moet, doe het lang genoeg, anders helpt het niet.
Met zo’n kuur doe je echter alles kapot, de goede bacteriën in de darmen gaan sneller kapot dan de slechte. Na zo’n kuur is de binnenkant van zo’n beestje helemaal kapot, die hele darmflora is om zeep en moet terug opgebouwd worden. Vaak duiken de echte problemen pas op twee weken na zo’n kuur. Ze hebben geen weerstand meer, de darmflora werkt nog niet terug naar behoren en dan komen er besmettingen.
DD: Je advies is dus eigenlijk zo weinig mogelijk doen op medisch vlak! Veelal de natuur zijn gang laten gaan. Wat is dan wel een probleem dat vaak opduikt bij duiven waarbij je moet ingrijpen?
Fernand: Bij een uitbraak van (virus)besmetting op de oogvliesjes (one-eye-cold). Wanneer minstens 20% van de duiven duidelijk heel natte ogen hebben dan moet je ingrijpen, anders ook niet. Maar hierbij ingrijpen heeft zeker nut. Als 20% of meer het heeft, komt het namelijk in de bacteriële fase en dan kan je ook ingrijpen.
DD: Wormen, schimmels?
Fernand: Wormen is al lang niet echt een probleem meer bij duiven en ook schimmels komen heel weinig voor. Als ik bij iemand kom die veel last heeft van schimmels dan geeft hij waarschijnlijk veel te veel antibiotica. Het immuunsysteem wordt verzwakt en dan zijn ze vatbaar voor schimmels. Het is een eerder zeldzaam probleem.
DD: Wat zijn nuttige bijproducten?
Fernand: (lacht) Mijn mineralen en siroop die ik al vermeldde. Nee serieus, er zijn absoluut producten die nuttig zijn. Er zijn er echter nog heel veel meer die niets doen. In de duivenwereld wordt veel gedaan wat geen nut heeft. Als het natuurproducten zijn die verder geen kwaad kunnen, dan is dat geen probleem. Look bijvoorbeeld, doet niets volgens mij, maar het kan geen kwaad. Wat appelazijn in het water, doet niets. Het maagzuur is vele malen sterker dan die azijn, en een paar druppels in een drinkpot, dat doet niets! Verzuren kan zeker nuttig zijn, maar doe het dan goed (met de korteketenvetzuren, zoals bijvoorbeeld Wonderpigeon, Roni of Colinol plus) Ook probiotica kan zijn nut hebben.
Zoals ik eerder al aangaf, duiven moet je als groep behandelen. Een aantal bijproducten kunnen voor bepaalde duiven wel degelijk nuttig zijn. Je geeft dit dan aan heel de groep en dan is het belangrijk dat het zeker geen kwaad kan voor diegene die het niet nodig hebben.
Hier stopt het gesprek met Fernand en Koen. Met Fernand kan je blijven melken over duiven en al zeker over het medische aspect. Ook al is het al 21 u gepasseerd, een volgende klant zit reeds te wachten. Helemaal afgezakt uit het verre Friesland komt die even Fernand raadplegen.
Diane zit heel het gesprek mee aan tafel. Ze helpt niet meer zo actief als vroeger met de duiven maar ze blijft nog altijd mee op de hoogte van het reilen en zeilen op de hokken. In dit gesprek kwam Koen wat minder aan het woord. Niet omdat Koen een stille meeknikker is die er maar wat bijzit, zeker niet. Hij is heel actief betrokken bij de duiven, heeft als kind opgegroeid tussen de duiven, veel van vaders ervaring meegekregen en heeft absoluut een eigen mening. Wanneer Fernand echter vertrokken is valt er moeilijk een stok tussen te krijgen. Kan ook moeilijk anders. Zoveel jaar duivenmelker, zoveel jaren ervaring als veterinair. Al die kennis, al die verhalen... Met deze man konden we een week over duiven melken en dan waren we nog niet uitgemolken.
Auteur:









