NICK & ROGER THYS - 1e Nat. Kampioen Grote hafo oude & 1e Nat. Asduif Grote hafo jonge 2026
“We wonnen elk jaar wel iets, maar dit jaar is geweldig.” Zo omschrijft Nick treffend het seizoen 2026. Die ‘iets’ slaat dan op 6 nationale titels bij de KBDB. ‘Geweldig’ staat voor een jaar waarin ze naast 1e Nationaal Kampioen grote halve fond bij de oude duiven ook de 1e Nat. Asduif grote halve fond jonge en 5e Nat. Asduif grote halve fond jaarse winnen.
En dan stel ik me de vraag, want ik ben maar een eenvoudig en bescheiden ‘melkerke’: “Hoe doe je dat? Wat is het geheim? Hoe pakken zij het aan? Hoe til je een kolonie naar dergelijk niveau? En misschien nog belangrijker: Hoe blijf je daar?” Met die vraag toog ik naar Hallaar en legde ze voor aan Godelieve, Nick en Roger, in de hoop om zelf toch ook wat wijzer te worden. En voor wie zich afvraagt wie Godelieve dan wel mag zijn... Godelieve is de echtgenote van Roger, moeder van Nick, en misschien wel het meest gepassioneerde teamlid als het over duiven gaat. Lees verder en hopelijk word je ook iets wijzer.
| De kampioenstitel bij de oude duiven grote halve fond werd, op één uitzondering na, behaald door telkens de twee dezelfde twee eerste getekende. Enkel de 503/24 werd één keer thuisgehouden en vervangen door de 453/24. De 450/24 ging vier keer als eerste getekende de korf in. | |||
| 1e get. | 2e get. | ||
| 23-05 Zone Bourges | 2592 d. | 95 | 28 |
| 07-06 Nat. Argenton | 15.386 d. | 145 | 88 |
| 13-06 Nat. La Chatre | 10.300 d. | 300 | 87 |
| 04-07 Nat. Sancoins | 9.580 d. | 142 | 1 |
| 25-07 Nat. La Chatre | 4.633 d. | 4 | 212 |
Over zo zoon, zo moeder - een kleine geschiedenis
Voor al diegenen die de afgelopen jaren in een klooster op een afgelegen bergtop in Tibet hebben doorgebracht, onder een steen hebben geleefd of - erger nog - geen abonnement hadden op De Duif, brengen we de geschiedenis van de vader-zooncombinatie Nick en Roger Thys nog even in herinnering. Het duivenverhaal begon bij Nick al op vrij jonge leeftijd. Hij werd door zijn grootvader, de vader van Godelieve, besmet met de duivenmicrobe. Als 15-jarige speelde hij onder eigen naam. Maar zo snel de microbe toegeslagen had, zo snel verdween ze ook weer toen Nick de geneugten van het jongerenbestaan ontdekte.
“Toen speelden we nog Quievrain,” zegt Roger. “En die duiven kwamen dan zondagmorgen om negen uur thuis en van een PAS-systeem was nog lang geen sprake. Maar ondertussen had Nick wel zijn moeder Godelieve, die af en toe al eens een handje toestak, en vader Roger besmet. Vooral Godelieve had het stevig te pakken. “Als je dat zo graag doet,” zei Roger, “zal ik wel kuisen en je helpen.” Dat deze woorden de aanzet tot een geweldige carrière zouden zijn, kon toen nog niemand bevroeden.
De comeback van Nick
In 2000 onderging Nick een operatie aan zijn kruisbanden en had hij plots een zee van tijd. Hij had toen ook zijn ‘Zwarte Witpender’ die werkelijk overal met Nick meeging. Vanaf dan was Nick terug volwaardig ‘team member.’ En dat ‘team’ vormt vandaag een bijzonder goed geoliede machine. “Wij komen daar heel goed in overeen.” Vader Roger onderhoudt de hokken en laat de duiven uitvliegen, Moeder Godelieve zorgt ervoor dat de atleten niks te kort komen en Nick staat in voor alles wat met de kweek en de administratie te maken heeft. “Koppelen en paperassen”, drukt Godelieve het mooi uit. Ook de taken bij het inkorven zijn netjes verdeeld. De grote halve fondduiven worden naar het lokaal gebracht door Godelieve en Roger, Nick neemt die van de kleine halve fond en de snelheid voor zijn rekening.
Een valse start
De eerste jaren stond het gezin Thys iets minder in the picture dan heden ten dage. Ondanks de goede zorgen van Godelieve en Roger “waren we gewoon meelopers,” zegt Roger. “We zijn gestart met de duiven van ‘onze vo’,” vult Nick aan. “Maar die heeft eigenlijk nooit echt goede duiven gehad. Dat was meer een ‘sociale duivenmelker’. Die heeft ook nooit, denk ik, die drive gehad om te winnen.”
Ook de hokken voldeden niet aan de juiste eisen om successen te behalen. “Je kent dat,” zegt Nick. “Je ‘slaat hier een kot in mekaar’ maar dat trok op niets.” Vooral de materiaalkeuze was een serieuze vergissing. We hadden een bos met canadapopulieren. Daar hebben we er enkele van omgezaagd, planken van laten zagen en daar een hok van gemaakt. Dat hout was natuurlijk nog vochtig. Nu weet ik dat allemaal maar toen wist ik van niets. Dat hout ‘trok als zot’. Je moest op den duur zelfs uitkijken waar je je voeten zette! Ons tweede hok dat we gezet hebben, stond dan weer pal naar het westen, puur voor het esthetisch zicht. Ook dat was ook totaal verkeerd natuurlijk. Daar konden we geen duiven gezond op houden.”
Met duiven spelen is simpel
“Ik moet niet de beste hebben, maar zoals we nu aan het spelen zijn, daar blijf ik mijn tijd niet insteken.” Het waren die woorden van Roger die voor een eerste belangrijke verandering zouden zorgen. Er moest iets veranderen. “We hebben toen van Geert Lambrechts wat duiven gekregen en konden eindelijk prijs winnen,” vertelt Roger. Toen gaf Roger misschien wel de belangrijkste les van deze reportage mee: “Met duiven spelen is simpel: je moet zorgen dat je de goede hebt. Van het ene jaar op het andere pakten we plots vroege duiven en dit gewoon omdat we andere duiven hadden.” Nick nuanceert de uitspraak van Roger wel wat: “Dat niveau waarop we nu spelen is nog wel iets anders. Daar speelt de ervaring ook wel mee. Het is ook niet zo dat je, als je er niets van kent, ergens goede duiven gaat kopen en dat je dan vertrokken bent.”
De echte ommekeer kwam er toen Nick en Roger in Pulle naar een koopdag, georganiseerd door De Duif, van een zekere Kegeleers trokken. Wijlen Dirk Van Dyck, toenmalig werkmakker van Nick, had hem daar attent op gemaakt. “Maar die duiven gingen daar geld,” blaast Nick. “Daar konden of wilden wij dat geld niet aan geven. Uiteindelijk hebben we daar voor 15.000 BEF een laat jong uit een heel goede vlieger kunnen bemachtigen. Ik denk zelfs dat het de laatste van de hele verkoop was. We hadden de duiven wel allemaal gekeurd en deze viel bij ons beiden in de smaak. De bevlogen duiven waren voor ons sowieso geen optie.”
In 2003 kweekten Nick en Roger uit die aankoop hun ‘Vijfke’, een superke. “Hadden we toen uitslagen ingediend, daar ben ik zeker van, hadden we toen al een 1e Nationale Asduif gehad. Dat vloog op de kleine halve fond eerste prijzen tegen duizenden duiven. Dat was nog in het samenspel Hafo 2000. Een dochter van haar won de 1e prov. Orleans. Onze eerste provinciale overwinning.”
| De duif die de 2e nationaal vloog op Argenton is twee weken nadien achtergebleven van Chateauroux. De week na Chateauroux werd Issoudun vervlogen. “Die van Issoudun brengen die mee naar huis,” was Godelieve stellig overtuigd en ze vervolgt: “Wij zitten bij Nick, want ons Linne was jarig. Plots tuut-tuut, zijn gsm. Ik zeg: ‘de laatste is daar.’ En dat was inderdaad onze 2e nationaal.” |
Elk systeem is goed
Godelieve en Roger nemen samen de dagelijkse verzorging van de duiven voor hun rekening. Een strikt afgebakende taakverdeling is er niet. “We doen het gewoon zoals het aankomt,” zegt Godelieve. “Wij spelen met duivinnen, jonge duiven en duivers. Onze oude duivers zijn eigenlijk onze beste duiven. De partners van de vliegduiven blijven thuis. Wij hebben niet genoeg duiven om dat systeem van chaos toe te passen, dat totale weduwschap,” verklaart Nick en overpeinst: “Ik denk dat uw beste duiven dan te vaak alleen zitten als ze thuiskomen.”
Dit jaar startten ze met 23 duivinnen en 17 weduwnaars. Voor het seizoen mogen de vliegers een 4-tal dagen bij mekaar, worden terug gescheiden en dan start het vliegseizoen. Na het seizoen mogen ze enkele dagen broeden. De beste oude mogen wel jongen grootbrengen. Die komen dan meestal in een veiling.
“Om u een idee te geven hoe streng de selectie hier is,” legt Nick uit, “We kweken elk jaar ongeveer 110 jonge duiven. De vliegcarrière van een duif duurt hier drie jaar. Dit jaar (2026) blijven er van die ongeveer 110 jonge duiven die we in 2024 gekweekt hebben welgeteld 2 duivers en 2 duivinnen over.”
De duivinnen kiezen na thuiskomst zelf wanneer ze bij hun duiver willen. Nick: “De duivinnen komen binnen op hun ‘rusthok’ waar ze eten en drinken krijgen. De duivers zitten in het hok ernaast, opgesloten in hun bak. Na een vlucht van 6 à 7 uren hebben die duivinnen het eerste half uur/drie kwartier wel wat behoefte aan rust. De duivinnen weten natuurlijk wel waar die duivers zitten en dan geven ze zelf wel aan: ‘Mogen we er eens bij?’ En dan wordt de deur opengezet.” Overdag verblijven de duivinnen in rennen.
Alle duiven krijgen twee keer per dag eten. ’s Morgens wel wat krapper dan ‘s avonds. “Op het gevoel,” geeft Godelieve de hoeveelheid aan. “We houden het hier maar simpel.” “Elk systeem is goed,” pikt Nick in. “Maar als je ergens mee begint, mag je dat niet voortdurend gaan veranderen. Na een aantal jaren ga je duiven hebben die aan jouw systeem aangepast zijn. Als ze niet komen, ligt dat niet aan het systeem. Dan ligt het aan de duiven. Dan hapert er iets aan de gezondheid of dan heb je misschien eens een slechte lichting. Dat kan ook, hè.”
Versterking...
“Als we versterking bijhalen, zoek ik naar liefhebbers die zo kort als mogelijk ons systeem van duiven spelen benaderen. Zo werd er onder meer samengekweekt met Jelle Roziers en met Vermeerbergen-Wilms. Die laatste samenwerking is al van enkele jaren geleden maar dat is heel goed gelukt. Die duiven hebben ons niveau nog wat opgekrikt. Ze kweken ook enorm goed verder. Die samenkweek heeft niet enkel ons goede duiven opgeleverd maar ik heb ondertussen al afstammelingen daarvan zien opduiken in de pedigrees van enkele nationale winnaars en tophokken.”
... Via bonverkopingen
Van Geert Lambrechts hebben ze via een bon – “Na een felle biedstrijd,” lacht Godelieve – een supergoede duivin verkregen. Het is trouwens Godelieve die de bons koopt op de kampioenendagen, soms in opdracht van Nick. Van Patrick Vervloesem werd op dezelfde wijze een goede bekomen. “Ik ben daar dikwijls goed mee, met ergens een bon van iemand te kopen,” geeft Nick nog mee. Die aangekochte duiven krijgen wel niet direct een plaats op het kweekhok. Ze moeten eerst hun kweekwaarde bewijzen. In eerste instantie worden ze gekoppeld aan kinderen van de eigen asduiven. Vervolgens krijgen ze twee of drie jaar de tijd om zich te bewijzen. Komen er in die periode geen degelijke prijsvliegers uit, dan is het einde verhaal. Ongeveer 10% van de aangekochte bons slaagt voor dat examen. Zelf schenken Nick, Roger en Godelieve jaarlijks ook een vijftiental bons. “Dat zijn altijd zomerjongen uit de kwekers, anders is dat te moeilijk te regelen.”
Godelieve: “Zelf kopen we nu geen bons meer.”
Nick: “Maar jawel. Verleden jaar nog. Op de Hei (Berlaar-Heikant).”
Godelieve: “Ja, om de club te steunen. Maar anders...”
... Samenkweek
‘Iron Sagan’, de 1e Nat. Asduif allround jong 2024 werd verkregen via samenkweek met Patrick Boeckx. “Patrick is zowat mijn beste ‘duivenvriend’,” zegt Nick. Vader van Iron Sagan is New Sagan van Patrick Boeckx, moeder is ‘Pieke’ van Nick. Iron Sagan werd na het behalen van zijn titel gewoon verder gespeeld, vloog in totaal dertien keer per 100-tal en werd 3e Olympiadeduif en 10e Nat. Asduif kleine halve fond 2025.
... Bij de Hollanders
Een andere aankoop die een grote impact op de kolonie zou hebben, kwam rechtstreeks uit Reeuwijk. “Ik ga eens iets raars doen,” zei Nick tegen Roger. “Ik ga eens naar Verkerk mailen.” Zo, gezegd, zo gedaan. Er werd een afspraak gemaakt en samen zijn ze naar Zuid-Holland gereden. “Vijf hebben we er gekocht,” vervolgt Nick. “Ik had op voorhand aangegeven dat ik uit lijnen wou van duiven die 600-700 km aankonden. Op een bepaald moment is Bas dan met een duif aangekomen. Dat was eigenlijk gene schone, een beetje een houterige. ‘Die zou ik ook meenemen,’ raadde Bas mij aan. En als zo iemand dat tegen je zegt dan doe je dat. Dan mag – bij wijze van spreken – die kop achteraan staan en die staart vooraan. Die duif neem je mee. Die mensen kennen hun duiven. Die duif is de vader van onze 1e nationaal. We zijn daarna ook contact blijven houden met Bas en Gerard. Om zulks een kampioenen te zijn, zijn die mensen nog heel ‘down to earth’.”
Te tamme duiven
Nick houdt niet van echt tamme duiven. “Eentje is niet erg, maar als je er te veel hebt... Er zijn er bij die goed komen, maar volgens mij zijn ze in het algemeen te mak. Ze komen misschien wel recht naar huis, maar ik denk dat ze de drive missen om in het rood te gaan.” Maar hij geeft ook dadelijk aan: “Alhoewel er ook duivinnen zijn die voor hun baas naar huis komen, die als het ware met de baas gepaard zijn.”
Zelf hadden ze ook hun ‘Tammeke’. Ze had één nadeel: als ze thuiskwam van een wedstrijd vloog ze, in plaats van binnen te gaan, recht naar Godelieve. “Dat was een superduivin,” lacht Nick. “Maar moest ons ma bij thuiskomst van de vlucht bij wijze van spreken midden op het gazon gestaan hebben, ze zou geen enkele prijs gevlogen hebben. Ze zou op ons ma haar hoofd gaan zitten zijn.” “Godelieve moest het kot opgaan of ze kwam niet binnen,” vult Roger aan.
De kweekmethode
“Er zijn nog liefhebbers die (dure) duiven van een goede soort kopen en die vervolgens niet slagen, of hooguit enkele jaren aan de top meedraaien. Waar maken jullie het verschil?”, vraag ik aan Nick, want het is hij die de scepter over het kweekhok zwaait.
“We hebben enorm veel geluk dat we een eigen soort hebben die enorm goed voortkweekt,” antwoord Nick. Daarbij wijst hij naar de foto van ‘De Witte 6’. “Dat is onze stamvader, daar is alles mee begonnen. Een duif gewisseld met Paul Maris en dan nog eens samen gekweekt. Maar het verhaal begint nog iets vroeger. Bij ‘Het 45’, de moeder van de ‘Witte 6’, afkomstig van Lucien Saliën.”
Roger vervolgt: “Ik was toen trainer en Lucien zijn zoon speelde bij mij in de eerste ploeg. Wij begonnen in die periode steeds beter met de duiven te spelen. Op een dag zei Lucien zijn zoon tegen mij dat zijn pa wel eens enkele duifjes van ons wou hebben. ‘Dat hij er maar een koppel komt halen,’ antwoordde ik. Hetzelfde jaar, of het jaar nadien, kwam Lucien hier aan en zei: ‘kijk, ik heb ook iets bij voor jullie’. Dat ‘45’ gekoppeld aan onze ‘Portier’ gaf de ‘Witte 6’.”
“Op basis van die twee duiven hebben we onze stam opgebouwd,” legt Nick uit. “Lijnenteelt. Ik doe niks anders dan lijnenteelt. In de pedigree van de nationale asduif van dit jaar komt 4x de ‘Witte 6’ voor. Dat is al niet weinig, hé. Ik kan geen pedigree afdrukken met 4 generaties – 3 generaties wel – waar de ‘Witte 6’ niet op voorkomt. Dat krijg ik niet klaar. Dan beginnen we te kruisen en uit die kruisingen ga ik terug naar die vaste basis.”
En dan vult Godelieve aan: “En ook, onze beste duiven gaan nooit weg, we hebben van onze asduiven geen enkele verkocht. En daar komen ze uit. Hadden wij die verkocht, dan hadden wij dit nu niet. Dan hadden wij wel geld gehad, maar geen plezier meer.” Nick vervolgt terug: “Wij hebben die keuze gemaakt. We zijn dat als team overeengekomen: ‘Mannen, als we nog jaren plezier willen hebben van de duiven, dat gaat alleen met de beste.’ Goede komen immers uit goede. Een voorbeeld? De ‘Fonne, 1e Nat. Asduif grote halve fond 2023, is vader van de 1e Nat. Asduif 2026.”
| 1e Nat. Kampioen jonge duiven 2015 1e Nat. Kampioen jonge duiven 2021 1e Nat. Argenton oude duiven 2021 1e Nat. Asduif Grote Halve Fond jaarlingen 2022 1e Nat. Asduif Allround jonge duiven 2022 1e Nat. Asduif Grote Halve Fond jaarlingen 2023 1e Nat. Asduif Allround jonge duiven 2024 1e Nat. La Souterraine jaarlingen 2024 |
De verzorging
“De duiven worden hier heel goed verzorgd, daar zit structuur in. Dat is...” Nick zoekt naar de juiste woorden om uit te leggen wat precies het verschil maakt. Maar dat Roger en Godelieve niet zomaar eventjes het hok ‘krabben’ en wat eten in de bak kappen, is wel duidelijk.
“En je gaat het misschien niet geloven maar wij gaan heel weinig naar de veterinair,” pikt Godelieve terug in. “En als we gaan, is het naar Fernand Mariën en Kristof Mortelmans. En dan zeggen die: ‘ze mankeren niks’. Van bij Mariën brengen we de vitamineral, het conditiepoeder en de conditiesiroop mee. Het ‘visvoeder’ (conditiepoeder) doe ik twee keer per week over het eten. Het graan wordt daarvoor bevochtigd met Aidi Omega Plus Olie. De vitamineral gaat dan niet over het voer. Dat eten ze niet graag. Ik meng 3 soorten piksteen en Super Grit Mix van Vanrobaeys in een potje en daar strooi ik dan wat vitamineral over. Dat krijgen ze elke dag. Daar zitten ze echt op te wachten. ‘De Moe is hier hè,’ zeg ik dan. Kom”. Het overschot wordt elke dag weggegooid en ververst. “Daar geloven we wel in,” zegt Nick. “Als je veel van je duiven vraagt, moet je ook aanvullen.” De bekende gele druppels komen van bij Kristof Mortelmans. “Daar is Fernand geen fan van,” zegt Nick. “Maar hij heeft ook niet altijd gelijk, hè.”
Wat de graanmengelingen betreft, zijn ze alle drie overtuigd van de mengelingen van Aidi. “In het begin kregen de duivinnen nog Girl Power, maar daar zijn ze ondertussen van afgestapt. Nu krijgen zowel de duivers als de duivinnen dezelfde mengeling en volgen ze hetzelfde schema met Aidi 1, 2 en 3. “Dat is gemakkelijk als we iets op het eten moeten doen,” geeft Roger als reden mee. “Anders zijn dat telkens van die kleine porties waar je iets op moet doen.”
’s Morgens wordt er iets krapper gevoederd, dan blijft er niets liggen, ’s avonds krijgen ze hun goesting. Godelieve: “Het is een beetje op gevoel dat ik voeder. Ze moeten op het einde van de week ook nog willen eten. Tweemaal per week doe ik, als ik eraan denk, Health Elexir in het water. En voorts Belgasol van De Weerd en Condition Booster van Aidi. Dat laatste geef ik op woensdag. En daar stopt het bij.”
Nick: “Wat kan je nog meer geven?” De dag na thuiskomst krijgen ze gele druppels. Wel niet in de neus maar op het eten. Ik heb al horen zeggen dat je ze dan kan verbranden.” De drinkpotten worden elke dag vervangen, gereinigd en te drogen gezet. “Dat is niet nodig hoor”, zegt Godelieve, “maar als dat in je zit...”
Hoe ze gezond te houden
Een goede verzorging is één, gezond houden is nog iets anders. “Blind kuren, doen we niet. Hapert er iets, rijden we naar Tielen. (Voor die van het klooster, de steen en zonder abonnement: Fernand Mariën woont in Tielen.) De jonge duiven krijgen 2 x een spuitje tegen paramyxo-rota, de oude worden enkel tegen paramyxo ingeënt. De jonge duiven krijgen daarnaast ook een enting tegen de pokken, volgens de klassieke methode met het borsteltje. Die vaccinatie wordt bij de oude niet meer herhaald. Elk jaar, eind oktober, komt de veearts langs om de kweekduiven tegen paramyxo te vaccineren. Diezelfde kwekers krijgen elk najaar (rond deze periode) een 10-daagse kuur tegen paratyfus. Daarbij wordt er elk jaar van een ander antibioticum gebruik gemaakt. Daarna volgt er nog een prikje met dood vaccin. Ook dat wordt door Kristof Mortelmans gedaan. (Mariën gelooft ook niet echt in blind kuren tegen paratyfus.)
“Wij willen het risico op een uitbraak voorkomen. Je moet rekenen: die oude duiven die naar het kweekhok gaan, je beste dus, die hebben wel een gans jaar in de reismand gezeten met andere duiven. Die zijn misschien wel drager van het virus. Als zo een ziekte dan uitbreekt tijdens het kweekseizoen is je hele seizoen om zeep.”
En blinde kuren voor het seizoen? Tegen de kop, tricho...?
Nick is duidelijk: “We gaan al jaren naar Mariën. Als hij iets zegt, liggen mijn oren op tafel, zo mag ik het uitdrukken. Dat is een kenner. Ze zeggen: ‘Niemand kent iets van een duif.’ Dat is niet waar, Mariën kent er iets van. En hij heeft bovendien een medische achtergrond. Die weet wat hij vertelt. Als ze iets mankeren, hij zal wel zeggen wat het is, het is geen giswerk. Vroeger kuurden wij ook blind tegen tricho, nu doen we dat ook al jaren niet meer. Maar dat is ook iets van jaren. Dat moet groeien. Ik zou Fernand ook niet op mijn kot loslaten want dan heb je ook iets aan de hand, maar dit terzijde.” (Nick bedoelt hiermee dat wanneer je Fernand een duif laat kiezen, hij dikwijls je beste er zal tussen uit pikken.)
Godelieve: “Veel mensen denken en twijfelen: ze zullen wel iets mankeren, we moeten iets geven. Ik twijfel ook nog. Dan zeg ik: Onze oude duiven, zouden we daar eens niet mee naar Mariën rijden? Zouden die nu niks mankeren want ze hebben nog niets gehad? Hij onderzoekt die. Die hebben niks, zegt hij dan. En ik dan: ja maar Fernand...”
Nick: “Maar als we twijfelen zijn we weg. Niet wachten tot volgende week, hè.” Geen blind vertrouwen in medicijnen, wel vertrouwen in een goede diagnose. Het zou ook wel één van de pijlers kunnen zijn waar de successen ten huize Thys op berusten.
Het spel
Zowel de duivers als de duivinnen gaan elke week de korf in voor een nationale vlucht. “Elke week mee. Kun je er niet tegen, moet je weg,” zegt Nick resoluut. Behalve als het te heet is, dan doen we niet mee. “Wij zeggen altijd: van ons moeten ze niets afgelasten. Wij zullen zelf wel beslissen of we meedoen of ze thuishouden. Met de jongen doen we sowieso niet mee als het kwik boven de dertig graden gaat. We hebben daar in het verleden al slechte ervaringen mee gehad. Jonge duiven kunnen daar niet tegen. Die eerste Bourges voor jonge duiven was al op het randje, dat moest niet veel meer zijn. Ons vader en moeder zijn daar wel een beetje voorzichtiger in dan ik. Die goede zijn het probleem niet maar voor de cohesie van het hok...”
Wanneer er geen nationale vlucht op het programma staat, vliegen ze, een beetje afhankelijk van de weersomstandigheden, een snelheids- of kleine halve fondvlucht.
Trainen
En dan komt de grote vraag: “Hoe lang trainen jullie duiven? “Ho!” reageert Godelieve, “dat durf ik niet te zeggen!” “Is het zo lang of zo kort?” vraag ik. “Zo kort!!!” reageren Godelieve, Nick en Roger gelijktijdig. “Een kwartiertje, twintig minuten maximum,” gaat Roger verder. “De duivers in het begin iets langer, maar als we beginnen spelen, vergeet het.”
Godelieve: “Ge kunt uw horloge daar op gelijk zetten, bij manier van spreken. Je weet, zometeen zijn ze hier. Dat lang trainen krijgen wij niet klaar.”
Nick: “Ik heb al gezegd tegen onze pa, houd die eens in de lucht. Maar dan gaan ze bij de geburen op het dak zitten.” Ik stel de volgende vraag. “Roep je die dan onmiddellijk binnen als ze terug thuiskomen, die vallen dan en die mogen dan direct binnen?” Nick repliceert onmiddellijk: “Vallen? Dan mag jij met geopende armen voor de ‘kijker’ gaan staan. Die duiken onder je armen door. Onze duiven hebben schrik in de lucht, denk ik. Maar dat is niet erg, dan vliegen die in het weekend ook niet graag.”
De duivers vliegen dus nog minder en komen na hun – korte - training ook direct binnen. “Anders zitten die hier een beetje de onnozelaar uit te hangen. Die gaan dan achter de duivinnen zoeken. Dat is allemaal voor niets nodig. Volgens Roger vliegen de jongen ook geen uren: ”Een half uurtje, drie kwartier. Soms eens een uurtje, maar niet dikwijls. De duivinnetjes dan, de duivertjes zeker niet. Ik denk dat dat in onze soort zit.”
Godelieve: ”En dan denken wij, wat voor lamzakken van duiven hebben wij?”
Rust roest?
Nick: “Na de laatste Argenton was er een weekend geen nationale vlucht. Daarna volgde Chateauroux. In dat tussenweekend hebben wij halve fond - Toury - gespeeld met de jongen. In het lokaal zei iedereen: ‘Wat doen de mannen nu weer?’ Iedereen gaf mee op Noyon, vooral omdat Argenton zo zwaar was geweest. Wij waren de enigen in het lokaal die duiven bij hadden. Ze gaven zware wind af. De snelheid deed 1900 meter, Toury 1800. Was het wind op kop geweest, hadden we dat niet gedaan. Die snelheidsvluchten gaan zo rap, de duiven zijn dat niet meer gewoon. Ik dacht bij mezelf: ‘waar gaan die misschien uitkomen?’.
Thuishouden is verliezen
“Ik zal u zeggen waarom: ‘Je haalt die duiven uit hun ritme. En die van ons … maar ze moeten het kunnen hè. Als je ze thuislaat. Gevaarlijk. Uw eetpatroon en alles is doorbroken en dat is heel belangrijk. Echt waar. Je mag niet denken als een mens. Het is niet zoals bij renners, ‘we gaan ze eens een weekje laten rusten’.” Roger onderbreekt: “We hebben dat zelf al eens tot onze eigen scha en schande ondervonden. De week voor een nationale vlucht korfden we de helft in op Toury, de andere helft bleef thuis. De week erna waren al degene die Toury gevlogen hadden thuis vooraleer we van de andere helft ook maar één gezien hadden.” Nick terug: “Maar als je ziet dat je duiven niet gerecupereerd zijn van de laatste vlucht, moet je dat niet doen natuurlijk. Maar dan ga je het ook niet halen.” Nick vervolgt verder. “Je doorbreekt dat patroon. Om een voorbeeld te geven. Als jij gaat lopen en je stopt een week, dan ga jij ook minder eten. Maar jij kan nadenken, jij weet dat je iets minder moet eten maar een duif niet. Dat is een dier.”
Meer over selectie, voederen en duiven beoordelen
“Ik heb toch slechte duiven,” laat ik mezelf ontvallen. “Moest ik van mijn duiven verlangen wat jullie van die van jullie verlangen, dan moet ik volgend jaar bosduiven gaan ringen, wil ik nog iets hebben om mee te spelen.” Nick antwoord heel rustig: “Ik kan u zeggen. Er is niemand die zoveel duiven verspeeld heeft dan wij. Ik spreek dan over 15 à 20 jaar geleden.” Roger legt uit hoe de selectie in de praktijk verliep: “Dat begint op de kleine halve fond. Je gaat van snelheid naar kleine halve fond. Er zijn er bij die dat niet aankunnen. Duiven die op de snelheid wel goed presteerden, zelfs bij de besten waren. Niet aantrekken, verder doen. Dan de volgende stap. Van de kleine halve fond naar de zware halve fond volgens hetzelfde stramien. Weer vallen er een aantal af. Uiteindelijk blijven alleen die duiven over die over het juiste metabolisme beschikken om elke week een zware halve fondvlucht te kunnen verwerken. Maar vooraleer je zover bent, heeft dat je heel veel pluimen gekost.” “Die zijn keihard hoor, die mannen,” vult Godelieve nog aan, ”ik niet. Maar nu moei ik mij niet meer. Tegen twee kan ik toch geen slag halen.”
“Hier wordt nooit gediscussieerd over de wind. Zitten we slecht, dan zitten we slecht. Als hier gediscussieerd wordt, is het over de hitte. “Nick wijst naar Roger en Godelieve. Zij zijn daar iets terughoudender in dan ik. Zij zullen bij heet weer iets sneller thuishouden dan ik. Ik zeg dan al snel: ‘Voor wat zitten die duiven hier?’ Maar ik leg me wel bij die beslissing neer. En achteraf besef ik dikwijls dat het beter was zo. Ik ben geen zot, hè. Je kan dikwijls een hok om zeep helpen door toch een keer te veel te willen. Maar anders is het motto: Spelen.”
Voederen
Wij kennen zelf van voeding niks. In grote lijnen wel, maar wat een duif echt nodig heeft? Dan kan je beter luisteren naar iemand die er wel iets van weet, die er verstand van heeft. Aidi lijkt me een beetje de trendsetter van die kleine granen. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat dat zaligmakend is. En dan ontstaat er plots een pittige discussie. Zo eentje die alleen in een hecht gezin kan ontstaan:
Godelieve: “Daar laten de mannen mij in doen, in dat voederen. Vroeger hebben we daar wel ruzie over gemaakt. “
Nick: “Daar heb ik dikwijls genoeg over gezaagd.”
Godelieve: “Dat ik te veel voederde. Die duiven moeten hier geen honger lijden.”
Nick: “Voor we naar Aidi overstapten, voederde je niet goed.”
Godelieve: “Dan zei hij: ‘zie ze toeren, zie ze toeren’. Van Noyon of Quievrain was dat dan.”
Nick: “Je moet eerlijk zijn. Jaren terug, op het einde van de week aten uw duiven niet meer. Vroeger waren uw duiven op woensdag al in topvorm. Is ’t niet waar wat ik zeg?”
Roger: “Ja.”
Nick: “En toen zijn er aanpassingen gebeurd. En toen ben je beginnen luisteren, wat je heel slecht kunt.”
Godelieve: “Dat is niet waar hoor.”
Nick: “Da’s wel.”
Ik kijk even naar mijn recorder. Lachend: “Moet ik effe afzetten?” We lachen allemaal.
Ik: “Maar ze doet dat toch goed.”
Nick: “Maar natuurlijk, dat gaat ook niet over luisteren. We hebben daar allemaal moeten in bijleren. In alles trouwens. Maar dat voederen, dat is niet gemakkelijk. Die eten hier donderdag nog als een paard. En van het trainen aan huis kan het niet zijn, want dat doen ze niet. Ik heb het reeds gezegd: een duif eet wat ze je geeft. In het begin van de week hebben die honger, als je dan te veel en te zwaar voedert, heb je problemen. Je kan door de week hard voederen in hoeveelheid maar er is een groot verschil in eiwitrijk of vetrijk. Breekt het snel of traag af.”
Het gaat dus niet alleen om de hoeveelheid voer, maar vooral om wat je de duiven op welk moment geeft.
En dan op donderdagavond het vaste ritueel:
Godelieve: “Als we dan gaan inkorven zegt hij: ‘Moe, ze zitten maar licht. Maar als hij dat zegt, dan kijken we naar mekaar en dan…”
Roger maakt de zin af: “…komen ze het beste.”
Een duif beoordelen
“Ik hou het in het oog als ze thuiskomen. Dan zie ik of het erin zit of niet. Als ze thuiskomen zie ik het meeste aan een duif. Hoe ze thuiskomen. Dan mag die nog veel te laat zijn. Dat speelt de rol niet. Dan zie ik of het een crack is of niet. En de week erop zijn die daar terug, dat zijn de goede. Dan moet je ze wel meegeven natuurlijk, anders weet je het niet.”
Dopingcontrole
Ook op het vlak van dopingcontroles hebben Nick, Roger en Godelieve de nodige ervaring. “De laatste keer kwamen ze hier om 17.30 uur aan, net voor we een nationale vlucht moesten gaan inkorven. De duiven moeten dan een half uur in een doos zitten om wat mest te verzamelen. Dat klinkt eenvoudiger dan het in werkelijkheid is. Dan willen die niet kakken. Doosje uit, doosje terug in. En ondertussen moet je wel nog gaan inkorven. “Wij hebben het kampioenschap 1+2 gewonnen met drie duiven. Normaal zou het met slechts twee duiven geweest zijn maar de 503/24 – de nationale winnares Sancoins – stond bij op de lijst van de te controleren duiven. Die wou dus ook niet kakken en hebben we uiteindelijk thuisgelaten. Die controle is nu ondertussen twee maanden geleden en ondertussen verkeren we nog steeds in het ongewisse.”
“Dit is onze vierde keer dat we controle krijgen, dus we zijn dat wel gewoon. Op de duur went alles. Maar als dat de eerste keer is, dan begin je te speculeren. Erger nog. Andere liefhebbers vragen achter het resultaat van die test en je moet antwoorden dat je van nog van niets weet. En dat verhaal begint de ronde te doen. Zou hij...? En je staat daar machteloos want je hebt geen enkel bewijs. Zo zaten we ooit zelfs op de provinciale kampioenenviering terwijl de uitslag van het dopingonderzoek van maanden eerder nog altijd niet bekend was. Is dat resultaat na twee maanden – of zelfs langer – dan nog niet geweten? Wij liggen daar nu niet meer van wakker maar de eerste keer wel. Dan denk je van: ‘verdomme, het zal toch niet waar zijn zeker’. Een mens begint zichzelf dan in twijfel te trekken. De tweede keer hebben we het langst moeten wachten. ‘En toen hadden we net iets tegen tricho gegeven. Van de dierenarts’, zegt Godelieve. ‘Toen was ik zenuwachtig. Maar nu trek ik het mij ook niet meer aan.”
De hokken deel II
Bij de bouw van de nieuwe hokken werd duidelijk niet over één nacht ijs gegaan. De vogeltjes in het bos konden op beide oren slapen. Deze keer zou hun woonst niet omgehakt worden. Nick: “Het hok van de jonge duiven is een supergoed hok. Daar is over nagedacht. Daar ben ik lang mee bezig geweest. We hebben dat zelf gemaakt. Dat is eigenlijk halvelings een Martin van Zon-hok. Ik ben aan Fernand gaan vragen wat hij belangrijk vond. Aan Jelle Roziers heb ik gevraagd of ik eens naar zijn hokken mocht komen kijken. En dan aan Martin van Zon. Uiteindelijk hebben we daar onze eigen versie van gemaakt.” Vooraan bevindt zich een ruime volière waarin de jongen de hele dag vrijwillig kunnen verblijven. “Als het hard waait, zetten we er windbreekgaas in.” Vooraan zijn schuiframen met glas voorzien. Die blijven normaal open en worden enkel gesloten wanneer het weer echt slecht wordt. Er zijn ook gordijnen voorzien om te verduisteren. Ook aan de temperatuur werd de nodige aandacht besteed. Het hok kreeg een geïsoleerd (plat) dak om verhitting tegen te gaan. “De onderkant van die platen bestaat uit een hard materiaal dat kan afgewassen worden. Dezelfde dakplaten worden ook voor stallingen gebruikt. Ongeveer 30 cm onder het dak werd er een vals plafond aangebracht. De zijwanden bestaan uit een 3-dubbele wand. “Zo breek je het beste de koude af. Heel belangrijk: je moet proberen het temperatuurverschil tussen dag en nacht zo beperkt mogelijk te houden. Niet met isolatie want daar kruipt ongedierte in.”
In het najaar volgt een grote schoonmaakbeurt. Alles wordt uitgebroken. Voor het reinigen gebruiken ze bird breeder. “Een ongelooflijk goed product. Biologisch ook. Het ruikt goed, stinkt niet. Een scheut in een emmer water, je zet dat te weken, afspoelen en je hok is als nieuw,” vullen Nick, Roger en Godelieve mekaar aan. “Schrijf dat maar op. Dat kun je voor jezelf halen.” Godelieve vat het resultaat samen: “Dan heb je dat hok gepoetst. Helemaal proper, als nieuw. En dan zet je daar terug duiven op – een korte stilte – en dan sch... die dat kot terug onder.”
Over verantwoordelijkheid
We maken even een zijsprong naar verliezen van duiven. “Wij halen elke aangemelde duif terug, dan is er bij mij geen houden meer aan,” zegt Godelieve. “Van die straffe Bourges waar we daarnet over spraken, kregen we eentje aangemeld dat in Luxemburg zat. Wind tegen en in Luxemburg! Dat zijn Roger en ik samen gaan halen. Vierhonderd kilometer op en af.” Nick vervolgt: “De mensen melden dat aan. Iemand die nu geen duiven heeft die denkt: ‘Die mens zal heel blij dat hij dat beestje terug heeft’. De tijden zijn ook veranderd. Vroeger kon je misschien nog zeggen: ‘Trek ze de kop uit. Maar nu?’ Je komt op televisie. Ik denk dat je beter in de Colruyt kunt gaan pikken. Daar ga je minder miserie mee hebben.”
Over verandering
Wat zou je veranderen aan de duivensport in zijn huidige vorm? Godelieve moet niet nadenken: “Die mannen met hun massa duiven.” Nick gaat even op de rem staan: “Aan de nationale vluchten moeten ze voor mij niets veranderen. Dat er daar eentje honderd meegeeft... Op de snelheid ligt dat anders. Zoals bij jullie, aan jullie kanten, zo maak je het spelletje kapot.” Nick legt uit wat hij bedoelt: ”Jij arriveert daar met je 10 duiven. Je maakt eigenlijk nul komma nul procent kans. Die grote klad vertrekt, dan mag die van jou daarbij zijn en eruit komen. Je kan dat gewoon niet winnen, hoe goed je duif ook is. We moeten, denk ik, op de snelheid iets doen voor de gewone liefhebbers – die we allemaal nodig hebben – om die te beschermen. Daar moet over nagedacht worden. Ik wil geen afbreuk doen aan die ‘grote’ liefhebbers, die hebben goede duiven en die duiven zitten tiptop in orde. Als de ‘gewone’ liefhebber echter het gevoel krijgt: Ik kan niet meer winnen... Negentig procent van de liefhebbers in het lokaal kan eigenlijk nooit winnen. En toch komen die iedere week opnieuw in de hoop om te winnen. En die hoop houdt de sport levend. Maar als dat gevoel weg is, dan stopt een liefhebber. Waarom zou je ’s morgens nog opstaan om die hokken te poetsen? In de winter kweekt iedereen in de hoop dat hij goede gaat kweken. Dat er misschien eentje tussen zit die ooit een eerste prijs kan winnen. Als dat gevoel weg is... Als dit nog even doorgaat en ze vegen je elke keer van de kaart, dan verdwijnt dat gevoel. Dan verdwijnt de hoop. En zonder hoop geen leven. Het is ook de enige sport waar profs en amateurs tegen mekaar spelen. Een eerste oplossing zou erin kunnen bestaan om grotere lossingen te organiseren zodat de duiven meer verspreid gaan zitten.”
Simpel
“Simpel. Wij zijn maar simpele mensen en wij houden het simpel,” laat Godelieve zich tijdens ons gesprek ontvallen. Het is de rode draad van dit gesprek. Hou het simpel. De jonge duiven zitten een ganse dag in de buitenren. Bij valavond zoeken zij hun plankje op, bij zonsopgang vliegen ze terug naar buiten. Simpel. Maar achter die eenvoud zit ook passie. Passie voor de duif, passie voor de sport, passie voor het kweken en al de resultaten die dat oplevert. En vooral: één team. “Wij hebben hier samen besproken of we die asduiven al dan niet zouden verkopen,” zegt Godelieve, “Dan hadden we wel dat geld, maar niet de duiven die we nu hebben.” En uit alles in deze reportage blijkt dat goede duiven hun veel gelukkiger maken dan veel geld. “Wij zijn maar simpel mensen.” Of toch net niet?