Liefhebber:
Onderwerp:
Westerlo wordt ook in één adem genoemd met het Kuipke (voetbal) en nog meer met kasteel De Merode waar door Historalia jaarlijks musicalspektakels worden ingericht met als thema historisch erfgoed. Wat betreft duivensport zijn Valère en Dina voortreffelijke ambassadeurs van Westerlo.
Een stukje familiegeschiedenis
Een gesprek met Valère over zijn eerste ervaringen met duiven leidt automatisch naar zijn jeugd en vader Jef, een icoon in de Limburgse duivensport en wereldwijd bekend. Als Valère de familiegeschiedenis vertelt blinken zijn ogen van trots.
“Vader was geboren in 1925 als oudste van vijf kinderen. Zijn vader was molenaar in Lummen mét ambitie. De kinderen moesten studeren. Vader was een goede leerling en ging als twaalfjarige naar de grote school in Waremme. Alles ging vlot tot de oorlog uitbrak in 1940. Toen moest hij thuisblijven van school om als oudste kind zijn vader te helpen met graan malen en clandestien aan de boeren leveren. Vader was 20 jaar toen de oorlog voorbij was. De kans op een schone schoolcarrière en een diploma was hem door de oorlog afgenomen. Daar is hij jaren van onder de indruk geweest. Grootvader kocht voor vader een oude vrachtwagen. Dat was de start van de graanhandel. Vader was een hele harde werker. In 1950 huwde hij met moeder Irma. Werken, werken, werken, dat zat er ingebakken. In 1953 werd vader opgeroepen voor het leger. Niet voor een paar dagen of weken. Het was gelijk voor twee jaar. Vandaag is dit ondenkbaar. Bij het leger noemde een officier hem ooit de strafste soldaat die hij had meegemaakt. Vader was een selfmade man die altijd hard heeft moeten knokken voor zijn gezin. Vader en moeder kregen acht kinderen. Ik ben de oudste (1950). Het was heel belangrijk dat we ons best deden op school. Dat was voor vader een staatszaak. Om ons te motiveren bezocht hij zijn oude school om een paar oude rapporten te verzamelen.”
“Ik heb er hier eentje liggen. Joseph (Jef) Kempeneers primus inter pares. Dat maakte indruk op mij en mijn broers en zussen. We deden onze stinkende best. Met succes. Ik heb burgerlijk ingenieur gedaan in Leuven en mijn broers en zussen zijn apotheker, chirurg, kinesist of eigen bedrijf. De jongste (Wim) doet de zaak van vader verder. We hebben een zalige jeugd gehad zonder verwennerij. Met de bus naar school in Leuven was normaal. Met de auto een grote uitzondering. Op de eigen benen leren staan. Maar we moeten het misschien over duiven hebben (lacht).
Met de duiven was vader ook alleen content met het beste. Zijn oude stam in de jaren zestig was gebaseerd op Stappaerts, Hoboken, Lucien Detand, Balen Nete en Steveneers, Loksbergen. Geweldige duiven tot 600 km maar vader wilde verder spelen. In 1960 kocht hij de “Witpen” van Hector De Smet uit Geraardsbergen. Een superduif en de aankoopprijs was navenant… 70 duizend tweehonderd Belgische frankskes. Een wereldrecord voor die tijd en daar stopte het niet.
Na de “Witpen” kwamen de “Daxien” van Hallot, de “Kleine Bleke” en “Limoges” van Louis Pepermans, Zemst, de “Schone” en “Brave” van Jos Schelfhaut, De Klinge, de “Plymouth” van Julien Verhaeghe de “Gimondi” en “Marseille” van Albert Gorin, Ramignies, kinderen uit de “Lange Barcelona” van Julien Matthijs, Vichte en in 1974 een hele beroemde duivin, de 131 van 1965 van Jan de Weert uit Steenbergen. In de jaren ’80 nog enkele dure aankopen als de “Blauwe” (Vrosch-Meijers) en de “Crack 44” en “Super 44” (Pierre Schlangen).
Vader wist dat de goeie uit de goeie kwamen maar het succes was niet voorspelbaar. Van de “Witpen” (Hector De Smet) was er geen enkel kind dat prijs won, maar de kleinkinderen wonnen vele provinciale vluchten tot Barcelona en drie nationale overwinningen (Cahors 1966, Marseille 1981, Brive 1982). Toen heb ik geleerd dat het belangrijk is om ook uit kinderen van echte goede duiven te kweken.
Vader was zeer commercieel. Als er iemand duiven wilde kopen in zijn topjaren waren de frankskes belangrijker dan de duiven houden. Zo verliep zijn loopbaan cyclisch met topjaren maar ook mindere seizoenen. Op dat punt heb ik de inborst van moeder. Zorgen en omarmen vind ik belangrijker dan verkopen.
Van in mijn prilste jeugd ging ik mee naar het duivenhok. Ik zag de duiven graag en de liefde was wederkerig. Ik mocht het allemaal meemaken: de vele mooie prestaties en bezoekers uit binnen- en buitenland op het erf. Van zien winnen word je zelf ook een winnaarstype. Een onvergetelijke herinnering was toen vader en moeder naar een feest vertrokken en ik als zestienjarige de eerste nationaal klokte en aanmeldde op Cahors (1966). Als ik mij goed herinner was vader ook content. (lacht)
Door het werk, vaak ook in het buitenland, belandde de duivensport voor mij op een laag pitje tussen 1984 en 2003. Dat is logisch denk ik. Werk en een jong gezin waren op dat ogenblik belangrijker dan duiven.
Ik denk nog vaak met respect en nostalgie aan mijn ouders en hun leven. Vader kreeg in de jaren ’90 een spierziekte en kon nog moeilijk stappen. In ’96 was het laatste jaar dat nog topprijzen gewonnen werden (o.a. 2e Internationale Zware Fondcompetitie Gouden Duif). De duiven werden door een verzorger gevoederd en de aandacht van vader om de duiven in topconditie te krijgen ontbrak. De energie was op.
In overleg met Dina besloot ik in 2003 om vader opnieuw te helpen. De afstand Westerlo-Nieuwerkerken was ideaal om met de fiets af te leggen. Soms bleven we overnachten om vader en broer Wim te helpen met de duiven. Maar in 2004 diende een been geamputeerd te worden bij vader en in 2005 stierf hij.
In mijn herinnering zaten er in de jaren dat ik samenwerkte met vader tot 1984 geweldige duiven en ik dacht dat de doorstart in 2004 wel zou lukken, maar niets was minder waar. Omdat ik analytisch ben opgeleid dacht ik dat het met inzet en passie wel zou lukken om resultaten te bereiken, maar duiven zijn geen wiskunde. Het lukte niet. De uitdaging was om terug een stam op te bouwen. Ook de verluchting diende verbeterd te worden. Ik heb enkele jaren veel bons aangekocht om bekende duivenmelkers te bezoeken en de ventilatie te begrijpen. Hoe je goede duiven moet kweken is nog steeds een raadsel omdat de natuur beslist maar vader leerde ons om goed x goed te koppelen. Van Jan Hermans mocht ik het boek van dokter Anker over erfelijkheidsleer lenen om te lezen.”
Meten is weten
“Ook Dina komt uit een duivenfamilie. Haar vader had ook duiven. In 2005 vroeg Dina om een eigen hokje te starten in onze tuin. Een vergunning voor een stenen hok van 30m2 werd aangevraagd. De derde ronde van het gezamenlijke kweekhok in Nieuwerkerken kwam naar Westerlo. In 2007 werd voor het eerst deelgenomen aan een dagfondvlucht uit Cahors. We wonnen 4e prov. en 15e nat. Vanaf 2007 was Cahors de eerste fondvlucht van het seizoen. Door het klokken van de 1e nationaal in 1966 was het vele jaren mijn lievelingsvlucht. In Westerlo won onze eerste duif gedurende negen seizoenen 4e, 10e, 3e, 52e, 5e, 26e, 4e, 2e en 15e prov.
We waren op de goede weg. In 2011, 2012, 2013 en 2014 werden we algemeen kampioen fond en grote fond in Fondclub Herentals. In 2011 behaalden onze duifjes de 4e plaats in het nationaal kampioenschap grote fond.
In 2014 werd besloten om enkel nog grote fond te spelen. De dagfondduiven werden verwijderd. De reden was simpel. Door de opkomst van de megahokken hadden we het gevoel dat we er met enkele duifjes in de mand voor spek en bonen bijliepen. Een hokje werd omgebouwd tot kweekhok, de beste vliegers werden gestopt en vanaf toen hadden we een gesloten systeem op eigen erf met enkel marathonduiven, hoofdzakelijk gebouwd op duiven van Cor de Heijde en de oude soort van de Gebr. Brügemann. In 2018 stopte de Herentalse Fondclub de activiteiten en werd uitgeweken om vanaf 2019 in te korven in de Molse Fondclub.
Het debuut op Barcelona (2010) in Westerlo is ook een verhaal.
Dina: “Valère was vertrokken naar Nieuwerkerken om de duiven te wachten (50 mee). Ik zou waken bij ons in Westerlo. Het was een goede vlucht met een sterke serie in Nieuwerkerken (31, 43, 67, 96 nat.). Om 14:47 viel een duif in Westerlo. Onze eerste getekende won 83e nationaal tegen 12.641 d. Voor de controle moest ik de duif zoeken op het hok. Ze zat bij de drinkpot. Gezonde stress. (lacht) Ik heb ook belangstelling voor duiven, maar eerlijk, ik besefte vroeger niet dat de microbe zo diep kan zitten. Een goede duivenmelker, dat brengt iets teweeg. Valère is heel punctueel. Half werk: dat gaat niet. Ik denk dat we compatibel zijn. Ik werk graag in de tuin. Rubberen laarzen aan, snoeien en planten. Soms ga ik binnen om iets te drinken en staat mijn keukenprins patatjes te schillen (lacht).
Valère: “Vader had zijn duivenboekjes. Ieder dag noteerde hij wel iets. Ik heb zijn boekjes van 1958 tot 1968 hier in huis. Dat is voor mij de duivenbijbel. Want meten is weten. Ik geloof niet in toeval. Structuur op een duivenhok is belangrijk. Weten wat je doet en waarom je iets doet. Dan herhalen de prestaties zich. Opschrijven is goed want ik moet het warm water niet uitvinden.”
Vette jaren
Het seizoen 2019 werd gekenmerkt door hoge temperaturen en sterke kopwind, maar daar wisten de duifjes van Valère en Dina wel raad mee. Op 7 internationale vluchten werd 13/14 gescoord met eerste twee get. met als resultaat: 2e Nat. kampioen grote fond KBDB, 2e Prov. kamp grote fond KBDB, 1e Alg. kampioen Molse Fondclub, 2e Europabeker, 1e in ZLU WESM met 1 + 2 get. (4e met 1e get.) en topklasseringen Cureghem Centre op Barcelona. Na 2019 dachten Valère en Dina: “Dit gebeurt nooit meer…”
In 2020 waren de voornaamste kampioenschappen 1e algemeen grote fond Molse Fondclub, 2e prov. Kampioen grote fond KBDB en 5e nat. Kampioen grote fond KBDB. In het najaar van ’20 werden enkele toppers uit de vliegploeg gehaald om uit te kweken.
In 2021 liepen de uitslagen wat minder.
In 2022 opnieuw 1e kampioen grote fond Molse Fondclub, 4e Internat. Zware Fondcompetitie Gouden Duif, medewinnaar wisseltrofee Brugse Barcelona Club met de Molse FC. Topuitslag op lastige Narbonne… 16, 52, 72, 78, 93 nat Narbonne 5748 d. (7/13).
In het seizoen 2023 werden veel jonge krachten getest. Dat ging vlot maar de keuze voor de getekenden was minder succesvol.
In 2024 een mooi seizoen met vroege prijzen op Agen (30, 36 nat.), Narbonne (6 nat.) en Perpignan (41, 109, 115, 120, 132, 135 nat. en 15 prijzen van 18 duiven).
Systeem
Bij de start in Westerlo kozen Valère en Dina voor nestspel. Dit om zowel doffers als duivinnen te testen op een beperkte accommodatie. Maar al doende leert men. In het begin waren er niet veel waardige vliegduiven en op een Cahors waren enkele duiven ingekorfd met thuisblijvende partners. Door het slechte weer kon Cahors pas op woensdag gelost worden. Maar ondertussen waren de thuisblijvers niet rustig gebleven en was het een klein bordeel geworden met vreemdgaande partners. Een mooie les en nadien werd er enkel per koppel gespeeld of bleef de thuisblijvende partner enkele dagen in een korf. Langzaam aan is het spel geëvolueerd naar inkorven op eieren van minimum een week oud of op kleine jonge voor Barcelona en liefst ook Perpignan. Jongskes bij de inkorving van Perpignan zorgt soms voor een nieuwe boost. Langzaam aan werd ook gestart met verduisteren en bijlichten.
De eerste koppeling van de vliegers is ca. 10 april. Op dit nestje mogen de duiven tien dagen broeden. In mei zitten duivers en duivinnen een maand op totaal weduwschap. Handig om de duiven iedere week in te korven. Na Bourges worden de ploegen verdeeld. De eerste koppeling zijn de duiven voor Pau. Dit is in het spel van Valère en Dina de eerste belangrijke vlucht. Een week later mogen de duiven voor Agen en Barcelona samen. Het is plannen en meten en weten.
“Ik voeder als een weduwschapspeler. In het begin van de week licht voer, dicht bij de inkorving zwaarder. Alles van Beyers. In de winter een sobere wintermengeling. De porties voer worden afgemeten: 25 gr/duif per doffer, 20 gr/duif per duivin. Het is een vorm van detox. De duiven zijn nooit te zwaar. Met dit systeem geen scheefvliegers en/of dakzitters als de duiven terug loskomen.
Vanaf eind augustus worden op het vlieghok alle nestjes afgebroken, nestbakken verwijderd en kapelletjes gemonteerd. Een rustperiode voor melker en duiven.
Door de roofvogelproblematiek zitten de vliegduiven vanaf begin september tot begin maart opgesloten, maar ze komen regelmatig in de ruime volières voor een badje.
Oktober is hier de entmaand (paratyfus en paramyxo). Ik denk dat een gunstig effect heeft op de gezondheid. En betere gezondheid is betere kweek en betere duiven. Medicijnen alleen indien strikt noodzakelijk. We zijn klant bij Raf Herbots, hij doet de vaccinaties. Als Bourges gespeeld is (eind mei) laat ik ook altijd een gezondheidscheck doen en verder zo weinig mogelijk geven en streng selecteren vanaf de geboorte. Een twijfelaar blijft een twijfelaar. Iedereen weet dat het moet gebeuren met witte raven. Ik geloof wel in natuurproducten: de vliersiroop van Robert Van Eycken, de rode uien van Jan Theelen en de kefir van Jos Van Olmen.
Het doet me plezier dat Bart Van Olmen (ook een kefir-man) zo voortreffelijk presteert. Het brouwen van de kefir is een heel ritueel. De ingrediënten zijn kefirkorrels, citroen, verse vijgen, suiker en water. Dit mengsel 48 uur laten trekken . Het is wel een kritisch product. Met een gewone lepel uit de keuken gaat de kefir kapot. Het moet een houten lepel zijn. Geïnteresseerden mogen altijd info vragen. Voor de duiven is het zuur van de kefir heilzaam. Traditionele zuren zorgen voor ontkalking. Dat is uiteraard niet goed.
Ik denk dat weinig duiven bijhalen ook gunstig is voor de gezondheid op een duivenhok. Maar het gras lijkt altijd groener op een ander. In ’20, ’21, ’22 en ’23 werden telkens 20 jongen bijgehaald van bekende melkers en op het vlieghok geplaatst omdat de vakjes op het kweekhok beperkt zijn. Twee van die 4 x 20 doen het goed. Een mooie les om vertrouwen te hebben in eigen duiven.
Jaren aan een stuk ben ik heel veel gaan lappen tot Fleurus (70 km). Opstaan om 5:00, lossing om 7:00. Tot eind mei trainen de duiven 1 keer per dag. In voorbereiding op de belangrijke vluchten twee keer per dag. De laatste twee jaar werden tijdens het seizoen geen oude (en jaarlingen) meer gelapt. Door de roofvogelplaag trainden de duiven als bezetenen.”
Wat ik niet heb gedaan
“Over die vraag moet ik geen seconde nadenken. Niet kweken uit de vliegers is een fout. Het zou ideaal zijn om het wel te doen maar is door de beperkte ruimte hier niet haalbaar.
Hebben we hierdoor topduiven niet gekweekt? Waarschijnlijk wel, misschien niet. Een duivenmelker moet ook grenzen trekken. Te veel duiven wil ik niet. Ik val misschien in herhaling maar in zijn gloriejaren had vader 40 weduwnaars en 20 kwekers. Nadien veel meer maar de uitslagen waren minder.
Veertig vliegkoppels (oude + jaarse samen) en twintig kwekers is hier ook het normale aantal. In 2026 tien koppels vliegers minder omdat de roofvogels een onbeschrijflijk probleem zijn. Vooral de laatste jaren hebben de roofvogels lelijk huisgehouden tussen de jonge duiven en was er maar een beperkte doorstroming naar jaarduif en oude duif. We wonen in een bosrijke omgeving tussen de vroegere militaire kampen in Olen, Oevel en Tongerlo met tal van broedplaatsen voor roofvogels. De vele duiven die slachtoffer werden aan de roofvogels waren trieste ogenblikken. Soms zijn het ook bewezen duiven. Dat is een kleine (duiven)ramp.”
2026 wordt laatste vliegjaar
De duivensport bij Valère en Dina is altijd een hobby gebleven. Kweken, spelen en tijdig de beste vliegers op het kweekhok brengen heeft hen vooruitgang gebracht en vreugde van het winnen van mooie prijzen nationaal en internationaal op de vluchten van de lange adem.
Het besluit staat vast: 2026 wordt het laatste seizoen dat aan vluchten wordt deelgenomen. Met een afgeslankte vliegploeg. Vier van de beste duiven zijn kweker geworden.
Valère: “Het waren twintig mooie duivenjaren. We hebben goed gespeeld maar soms ook minder goed want het zijn niet allemaal goede duiven natuurlijk. Door de duiven hebben we veel melkers kunnen bezoeken. Sommigen zijn echte vrienden geworden. Om resultaten te bereiken zijn vele opofferingen nodig maar als dan een duif van Barcelona om 5:26 aankomt, bij het krieken van de dag, dat is kicken. Of een duif van Perpignan in het schemerdonker ’s avonds. De kick van het kweken, africhten en coachen van duiven zal verdwijnen.
Waarom stopt een duivenmelker met zijn hobby? Sommigen zijn versleten of gaan naar het rusthuis, bij anderen speelt de gezondheid parten, nog anderen verliezen hun motivatie omdat er geen prijs meer gewonnen wordt. Maar het kan ook omdat het mooi geweest is en er nog andere activiteiten dan de duiven zijn, waar door de actieve duivenmelker in de zomer niet van kan genoten worden. Als je dan de laatste maanden nog veel vrienden ziet heengaan. Het leven is eindig. Ook mijn gezondheid loopt wat mank. Een hartoperatie in december liet alle alarmbellen afgaan. Nog wat jonge duiven kweken en kameraden coachen is een uitdaging voor de volgende jaren. En niet te vergeten de inzet voor het organiseren van duivenbonnen-verkopingen van de stichting Longfibrose die wetenschappelijk onderzoek ondersteunt voor longziektes onder leiding van prof. Wim Wuyts aan de KU Leuven. Tijdens telefoongesprekken leerde ik dat heel veel duivenmelkers longproblemen hebben. Daarom mijn oproep en advies: Draag steeds een FFP3-masker of een helm met ventilatie. Vooral tijdens de rui is er een massa fijn stof aanwezig op de hokken.”
“Eén van de mooiste momenten uit mijn duivenleven was de huldiging van de nationale kampioenschappen in 2019. Het feest ging door op Stayen in Sint Truiden, hartje Haspengouw, mijn geboortestreek. Ik dacht “hoe de steun voor een zieke vader het duivenvirus terug aanwakkerde”. Ontroerd en met tranen in de ogen richtte ik het hoofd naar de hemel.
De mooie uitslagen van 2025 waren misschien de laatste duivendromen die uitkwamen. Maar alles is relatief. Laatst vroeg ik aan Dina: “Waar liggen de medailles van de nationale kampioenschappen eigenlijk?”
Auteur:







